De betrekkelijkheid van het erfgoed

Bewerking van een column, uitgesproken op het symposium ‘Erfgoedstatus: kans of kaasstolp?’, Lelystad, 14 december 2012.

De lange negentiende eeuw

Otto - bokkenkar 1966Ik ben geboren op het einde van de negentiende eeuw. Nee, niet die ene negentiende eeuw. Maar die andere, die lange eeuw die reikte van de pruikentijd tot het begin van onze welvaartsstaat. De eeuw van grootmoeders receptenboek en opa’s jongensavonturen, van boerentrots en arbeidersstrijd, van opgedrongen gemeenschapszin en diepe sociale ellende. Een eeuw van bittere teleurstelling en overspannen toekomstverwachtingen. Een eeuw waarin het weidse polderland met zijn statige boerderijen, groene dorpen en indrukwekkende vergezichten de uiterlijke vorm heeft gekregen die we achteraf als erfgoed zijn gaan waarderen.

De lange negentiende eeuw is diep in ons besef gegrift door romantische filmbeelden en nostalgische reclamespots. Hij vormt het onontkoombare decor van streekromans en historische novellen waarin stugge mensen met harde koppen elkaar voortdurend voor de voeten lopen. Deze beelden van het verleden zijn ons vertrouwd geworden. Niet omdat we de hoofdpersonen persoonlijk gekend hebben, maar omdat ze beantwoorden aan onze eigen stereotypen en verwachtingen. De antropologische distantie waarmee we gewoonlijk naar vreemde volken en culturen kijken, vergeten we gemakshalve zodra het eigen verleden aan bod komt. Gedachteloos laten we ons meeslepen door de schaduwbeelden van een werkelijkheid die weliswaar niet meer toegankelijk is, maar die nog volop in onze herinnering lijkt te bestaan. We kunnen geen afstand nemen van de negentiende eeuw omdat hij nog maar net voorbij is.

Tienduizend dingen

BoerderijWie zich bezig houdt met de erfenis van het verleden, dient zich goed te realiseren wat het betekent als je zelf midden tussen dat verleden bent opgegroeid. Als kind voelde ik mij de laatste van een generatie, ondergedompeld in een imponerende negentiende-eeuwse werkelijkheid die onherroepelijk leek te gaan verdwijnen. Mijn ooms en tantes waren geëmigreerd naar de Nieuwe Wereld. De boerderij van mijn grootouders bewaarde tot in zijn duisterste hoeken de herinnering aan een opgroeiend rijkeluisgezin in de jaren twintig en dertig. De kasten puilden uit met borduurlapjes, tekenboeken, beschadigd kinderspeelgoed en half voltooide knutselwerkjes. Daartussen dozen met kruidenierswaren, op voorraad gekocht om een volgende schaarstetijd te kunnen opvrolijken. En overal tussen die levende herinneringen een overvloed aan brokstukken uit een eerder tijdvak: fotoalbums, meubelstukken, porselein, ansichtkaarten, rouwbrieven en poëziealbums, stuk voor stuk beladen met verhalen over vroegere generaties, levenstekens van neven en achternichten, vrienden en verre bekenden, samen de contouren vormend van een wijd gesponnen netwerk dat ooit onontbeerlijk was voor het maatschappelijke succes van een negentiende-eeuwse burgerfamilie, maar dat slechts enkele generaties later zijn innerlijke samenhang was kwijtgeraakt.

Waar ik mij niet altijd thuis voelde tussen mijn eigen leeftijdgenootjes, lokte het verleden. Als kind tussen volwassenen raakte ik thuis in een schijnbaar overzichtelijke wereld van objecten en herinneringen die in veel opzichten tastbaarder leek dan de dagelijkse realiteit van kleine pesterijen en sociale uitsluiting. Natuurlijk overdrijf ik. Maar de overdonderende realiteit van de tienduizend dingen waaruit de negentiende-eeuwse burgerhuishouding was opgebouwd gaf toegang tot een haast vanzelfsprekende vertrouwdheid met een sociale wereld die bezig was te verdwijnen. Hij dicteerde mijn vrijetijdsbesteding en bevorderde mijn verzameldrift, aangemoedigd door grootouders die niets van wat hun dierbaar was, verloren wilden laten gaan. Hij bepaalde mijn studiekeuze en kleurde tot op zekere hoogte ook mijn romantische blik op het historische proces.

De wereld van de tienduizend dingen, de oneindige veelvoud van het zijnde, wanwu (zoals de Chinese wijsgeren zeggen), heeft mijn beeld van de negentiende-eeuwse werkelijkheid diepgaand beïnvloed. Op paradoxale wijze raakte mijn persoonlijke biografie verweven met het moderniseringsdenken, althans de conservatieve en romantische schaduwzijde daarvan. De bevrijdende gedachte dat al het concrete dat ons vastketent oplosbaar is (om Het Communistisch Manifest te parafraseren) dreigde stilzwijgend in zijn tegendeel te veranderen, namelijk de angst dat al het concrete dat ons dierbaar is, zal verdampen in de lucht.

Het is deze angst voor vergetelheid die een hele generatie heeft beïnvloed. Conservatieve schrikbeelden die samenhingen met beduchtheid voor sociale desintegratie en verlies van eigen posities versmolten in de jaren zestig met romantische utopieën over een nieuw begin op het platteland dat nog grotendeels onaangetast zou zijn door industrialisatie en verstedelijking. Behoud van het erfgoed en bescherming van het landschap werden belangrijke actiepunten voor een verstedelijkte elite die op zoek ging naar een paradijselijk achtertuintje dat in elk geval voorlopig een schuilplaats kon bieden voor de concurrentiedwang waaraan de moderne samenleving ten onder leek te gaan. Deze veilige toevluchtshaven in een gedroomd verleden is – opvallend genoeg – ook het domein van streekhistorie en museale collecties, van de benepen achterkamertjes uit Het Bureau van Voskuil tot de strikt geordende schaduwwereld van erfgoedcatalogi en monumentenlijsten: ambtelijke verzamelingen van meer of minder beschermenswaardige objecten, als het even kan meetbaar en kwantificeerbaar, exact gelokaliseerd en ingebed in regelgeving.

Levend verleden

Om mij heen was de echte wereld intussen snel aan het veranderen. Het sociale kapitaal van mijn grootouders was bezig te vervagen. Wat voor de een erfgoed was, bleek voor de ander een blok aan het been op de brede weg naar vooruitgang. Puffende tractoren, geheime radiozenders en stoffige nieuwbouwstraten hoorden even goed bij mijn jeugdjaren als vloekende landarbeiders met paarden, dorpswinkeltjes vol kaas en klompen en eenkamerwoningen met rokende turffornuizen. Het was immers de jaren zestig, de tijd van vrolijke balsturigheid en grootse plannen. De toekomstvisioenen die in de kranten waren te lezen, werden ieder jaar groter en fantastischer.

Natuurlijk wist niemand hoe de toekomst er uit zou zien. Geen mens betwijfelde dat het platteland aan de vooravond van ingrijpende veranderingen stond. Maar het verleden leefde nog volop. De bejaarden woonden midden in de dorpen. Spuwende mannen met grijze stoppels en fiere petten stonden iedere middag bij elkaar op straat, voorbijgangers keurend met een sturende blik en een korte groet. Kromgegroeide vrouwtjes in bloemetjeskatoen, invaliden op handfietskarren en een enkele zwakzinnige met een kinderwagen bepaalden het straatbeeld. De dorpssmid deed voor ieder hoorbaar zijn werk, de laatste schoenmaker van het dorp zwoegde ineengedoken achter zijn lage venster, de kassier van de boerenleenbank hield wekelijks zitting in het dorpscafé. De bakker bracht het brood zelf rond en maakte soms nog een tweede ronde om zijn klanten ook met kruidenierswaren te kunnen bedienen. Een bonte stoet van kleine handelaartjes, visverkopers en groenteventers passeerde in de loop van het seizoen de deuren. ’s Zomers graasden de koeien in het weiland en stonden de volle melkbussen iedere ochtend langs de weg. Als het regende, regende het hard. Sloten stroomden over; de kleilanen raakten doorweekt en werden onbegaanbaar. Als het stevig vroor, bereikte de vorst ook de hoeken van de woonkamer. Als het flink sneeuwde, waren hele dorpen dagenlang onbereikbaar.

Weliswaar waren er weinig mensen die dit plattelandsbestaan graag wilden verruilen voor het leven in de grote stad. Toch beseften de meesten van hen ook dat dit niet lang meer zou duren. Eenmaal voor de keuze geplaatst elders opnieuw te kunnen beginnen, aarzelde men zelden. De dorpen liepen langzaam leeg. De winkeliers schakelden over op kant-en-klaar producten die met bodewagens uit de grote stad werden aangevoerd. De meeste ambachtelijke bedrijfjes hadden de deuren al vóór die tijd gesloten.

De eerste stadsbewoners die het plattelandsleven omarmden, werden dan ook meewarig bejegend. Niet alleen vanwege hun gestuntel en hun onvermogen de dorpsgebruiken te respecteren. Maar meer nog vanwege hun onbegrip voor de diepgewortelde vernieuwingsdrang die de plattelandsbevolking in zijn greep had.

Wereld van nieuwe dingen

De mensen uit mijn jeugd probeerden de negentiende eeuw te vergeten. Duizenden mensen waren bezig te vertrekken, ook al beseften zij dat zelf niet altijd. Sommigen waagden de sprong en verhuisden naar een van de opkomende plattelandssteden. Met tranen in de ogen soms, maar tegelijkertijd opgelucht verruilden zij het geminachte boerenwerk voor een eerzaam plaatsje aan de lopende band. Anderen vertrokken naar het westen van het land, naar de IJsselmeerpolders, naar de Verenigde Staten, Canada of Australië. De meesten hoopten dat hun kinderen gemakkelijker zouden bereiken wat henzelf slechts met veel moeite gelukt was: een menswaardig bestaan en een fatsoenlijk leven. In elk geval was dat geen leven als landarbeider.

Maar tegelijkertijd stonden de plattelandsbewoners nog met beide benen in de negentiende eeuw. De beelden uit het verleden leefden als nooit te voren: het spook van de ellende, de schaduw van de oude boerentrots en de benepenheid van de zwijgende middenstand. Het verleden dreigde de mensen telkens in te halen en de politiek speelde daarop in. De naoorlogse jaren kenmerkten zich door een massale vernieuwingsdrang. Hele woonbuurten werden afgebroken en vervangen door rijtjeswoningen, dorpscentra gesaneerd en kanalen gedempt. Saai en smakeloos waren de huizen, aangekleed met triplex, zachtboard en verveloos beton. Het was als met het smakeloze wittebrood dat na één dag werd weggegooid omdat het vers beter smaakte. Het bevredigde niet, naar was altijd nog beter dan het kleffe roggebrood van vroeger.

Op bezoek bij familie en bekenden maakten ook wij kennis met de nieuwe samenleving in de IJsselmeerpolders, even eentonig als de vernieuwingsdrang op het oude land, maar meer dan elders doorspekt met succesverhalen en de schone schijn van dynamiek. Een wereld waarin het verleden niet meer mocht tellen (hoewel de bewoners zorgvuldig op hun afkomst geselecteerd waren), waar de verschillende tongvallen weinig betekenden en het erfgoed geen andere status had dan decorstukken uit de streek van herkomst. Een gerealiseerde utopie, een abstracte werkelijkheid, schijnbaar zonder de last van het verleden, maar nog even materieel en tastbaar als zijn voorgangers. Een wereld van tienduizend nieuwe dingen.

De mythe van de vooruitgang

Erfgoedbehoud en vernieuwingsdrang, romantiek en modernisering, ze vormen twee kanten van dezelfde negentiende-eeuwse medaille, de voor- en achterkant van het vooruitgangsdenken. Vaak stond het oude land voor het ene sentiment, de nieuwe polder voor het andere. Maar in werkelijkheid vormden beide een onverbrekelijk geheel.

Discussies rond erfgoedbehoud verlopen meestal volgens een voorspelbaar stramien. De ene partij verdedigt de erfenis van het verleden, de ander komt op voor vooruitgang en dynamiek. De argumenten spiegelen zich: ieder stukje erfgoed is immers het gevolg van een eerdere vernieuwing. En iedere vernieuwing kan zich weer tot erfgoed ontwikkelen. De naoorlogse vernieuwingsarchitectuur is inmiddels beschermingswaardig; de nieuwe polders worden toekomstig erfgoed. Betekent dit dat iedere nieuwe varkensschuur een potentieel monument is, mits het om kwalitatief goed ontwerp gaat? Ik heb mijn twijfels.

Rijksadviseur voor landschap en water Eric Luiten pleitte onlangs op een symposium in Groningen voor modernistische architectuur (Vitaal platteland, vitale architectuur, Groningen, Stichting Libau, 22 november 2012). Wat hem betreft kan er een streep door alle historiserende ontwerpen voor varkensschuren en veestallen. Ze maskeren de feitelijke ontwikkeling naar grootschaligheid en functionaliteit. Impliciet reproduceert hij daarmee de negentiende-eeuwse tweedeling tussen vroeger en nu, tussen verleden en toekomst, tussen traditie en moderniteit. Ongetwijfeld wil Luiten niet terug naar het klassieke vooruitgangsdenken. Maar in zijn onverholen keus voor de moderniteit deelt hij toch in de vrijblijvendheid van de postmoderne filosofen, die de afgelopen decennia naar mijn smaak te vaak de discussies hebben bepaald.

De Franse filosoof Bruno Latour heeft een heel andere insteek (Wij zijn nooit modern geweest: Pleidooi voor een symmetrische antropologie [1991], Amsterdam 1994). Hij stelt dat we nooit modern zijn geweest. Het vooruitgangsbesef was een uitvinding van de lange negentiende eeuw, een mythe die de feitelijke ontwikkelingen misschien heeft versneld, maar die tegelijkertijd ook het zicht op de complexe materiële werkelijkheid heeft belemmerd, doordat verleden en heden tegenover elkaar werden gesteld. De tienduizend dingen zijn van alle tijden; zij structuren onze werkelijkheid en wij nemen daarin telkens weer positie in. Die werkelijkheid is niet zwart-wit: heden en verleden vormen telkens nieuwe mengvormen, hybriden, die het resultaat van onze handelingen in zich op nemen en weer een uitgangspunt aan volgende ontwikkelingen bieden. In die zin is de modernistische architectuur van de nieuwe polders een interessante hybride: een mengvorm van oude vormen en nieuwe idealen die achteraf gezien weer gedateerd is.

Generatie-effect

Toch denk ik dat er nog iets meer aan de hand is. De huidige belangstelling voor cultureel erfgoed is in mijn ogen ook een generatie-effect. Het einde van de lange negentiende eeuw kenmerkte zich niet alleen door overtrokken vooruitgangsidealen. Er was – in samenhang met die idealen – ook sprake van een enorme versnelling van de ontwikkeling, van een radicale mechanisatie en mobilisering van de samenleving die onomkeerbare effecten heeft gehad. In slechts enkele jaren – pakweg tussen 1965 en 1975 – is onze plattelandssamenleving onherkenbaar veranderd. Niet alleen in Nederland, ook in andere delen van de wereld, zij het niet overal op hetzelfde moment en met hetzelfde tempo (zie mijn notitie voor de Waddenacademie uit 2009).

De generatie die deze verandering het meest aan den lijve heeft ondervonden, is ook de generatie die de discussies rond het erfgoed bepaalt. Het dreigende verlies dat ik als kind mocht ervaren, weerspiegelt naar mijn idee de angsten van veel tijdgenoten. Vooruitgangsdrang en behoudzucht zijn in die zin twee kanten van dezelfde medaille. Wij zijn bezig het verleden te verteren en dat doet ons zeer, omdat we bang zijn onze relatie met dat verleden te verliezen. Het is in feite ook de band met ons eigen verleden, het besef van onze eigen tijdelijkheid, onze eigen pijn.

Voor discussies rond erfgoed is dat een belangrijke les. Er is geen macroperspectief van waaruit we de geschiedenis van bovenaf kunnen bekijken; we zitten er midden in en we maken er zelf deel van uit. Vooruitgangsidealen zijn vaak even ondoordacht als nostalgische reflexen. Ik zou willen pleiten voor meer voorzichtigheid: plan een beetje minder, heb respect voor het verleden, geef dingen de tijd om uit te sterven, bekijk ze met compassie, maar klamp jezelf er niet eeuwig aan vast. Ook monumentenlijsten zijn niet meer dan historische producten.

De filosoof Michel Serres beschrijft de tijd als croissantdeeg dat telkens weer gekneed en gevouwen wordt: het verleden is gelaagd, de ene keer dichtbij, dan weer veraf (Rome: The Book of Foundations [1983], Stanford, CA 1991). We zullen het nooit in onze grip krijgen. En dat hoeft ook niet. Of zoals Laozi het vele eeuwen geleden al treffend verwoordde :

Daarom houdt de Wijze zich in zijn daden bij het nietsdoen.
Zonder woorden verspreidt hij zijn leer.
De tienduizend dingen verschijnen, maar zonder zijn initiatief.
Zij handelen, maar zonder zijn steun.
Wanneer alles is volbracht, dan zal hij niet blijven.
Ja! Juist door niet te blijven
Gaat hij niet verloren.

Otto S. Knottnerus, Groningen, 23 mei 2013

(Citaat van Laozi aangepast naar Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, vert. door K. Schipper, Amsterdam 2010 en De weg van Lao-Tse: Een nieuwe Nederlandse vertolking van de Tao Te Tjing, vert. door J. Willemsen, Amsterdam 1990.).

Advertenties

Over Otto S. Knottnerus

Historisch-socioloog grensoverschrijdend historicus
Dit bericht werd geplaatst in Filosofie / Philosophie / Philosophy, Geschiedenis / Geschichte / History, Uncategorized en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s