Familiemythe als collectieve (auto)biografie: De dominee en de alchemist

Hun stamgoed zal geweest zijn het adellijk goed Obernhausen in de Donaupfalz, waarom de eerstbekende persoon (Johannes Michaelis Knottnerus) zal gezegd hebben: Obernhausen ist mein! […] Oberhaus is een sterk kasteel tegenover Passau gelegen, op eenen berg aan den mond van het riviertje Ilm in Nederbaiern. Bij deszelfs verlating heeft de Roomsch Katholieke geestelijkheid zich hetzelve aangematigd, doch in nieuwere tijden is het weder gesaeculariseerd of wereldlijk gemaakt en de vestingwerken zijn met vele posten vermeerderd geworden. Met het Oberhaus is door een voortloopende muur het slot Niederhaus verbonden.

Het is bijna een halve eeuw geleden dat Lawrence Stone het begrip collectieve biografie introduceerde. De term is Weberiaans gekleurd: hij brengt niet alleen de levens van de groepsleden in al hun verschillende dimensies in kaart. Hij houdt ook rekening met zelfreflectie, het bewustzijn van de groepsleden van datgene wat hen onderling bindt en scheidt van de wereld om hen heen, kortom de groepsidentiteit en de daarmee verbonden individuele en collectieve strategieën. Dit in tegenstelling tot het begrip prosopografie pur sang, dat veel meer – in de lijn van de New Social History – de blik van buitenaf veronderstelt en het onderzoeksobject construeert op basis van gerichte onderzoeksvragen en waargenomen gemeenschappelijkheden.

Beide begrippen worden vaak onnodig verward. Volgens Charles Tilly kenmerkt de prosopografie zich door een statistische verwerkingswijze van losse biografische gegevens. In de collectieve biografie worden daarentegen vergelijkbare persoonsgegevens opnieuw gerangschikt tot een betekenisvol portret. Zijn voorkeur gaat overigens uit naar een derde onderzoekslijn: het verzamelen van vergelijkbare situaties en gebeurtenissen (event catalogs) teneinde achterliggende processen bloot te leggen.

Voor genealogen zijn deze verschillen zonneklaar. Als zij een stamboom maken komt de familie-identiteit al snel aan de orde, vooral als de naam van de familie met statusverwachtingen beladen is geraakt. Bij een parenteel (afstammingstabel) ligt dat gecompliceerder, omdat bij nakomelingen die buiten het familienetwerk zijn geraakt de herinnering vaak na enkele generaties verloren gaat. Een kwartierstaat benadert daarentegen eerder het ideaalmodel van de prosopografie. Doordat het onderzoek zich met terugwerkende kracht in een onbekend verleden uitstrekt, ontbreekt de factor van groepsidentiteit. De onderzoeksgroep lijkt haast willekeurig te zijn samengesteld; het punt waarop vage gemeenschappelijkheden worden omgezet in concrete verwantschapsrelaties ligt telkens in de toekomst.

Maar wat als de resultaten van het genealogische onderzoek een rol gaan spelen in het leven van de onderzochte groepsleden? Als de onderzoeker deel gaat uitmaken van het onderzoeksveld? Als het stamboomonderzoek – zoals dat in Europa vanouds gebruikelijk is – in dienst komt te staan van netwerkopbouw, loopbaanverwachtingen en carrièrepad? We zouden hier kunnen welhaast spreken van een collectieve autobiografie, die telkens door volgende generaties herschreven wordt en als zodanig een functie heeft voor huidige groepsleden en hun geprojecteerde toekomst. Het begrip collectieve autobiografie wordt vaak gebruikt om de geschiedenis te beschrijven van afzonderlijke generaties die zich bewust worden van het gedeelde verleden, zoals de kinderen van de Holocaust of de Flower Power generatie. Maar typerend voor de genealogie is nu juist dat het verworven groepsbewustzijn aan volgende generaties wordt overgedragen door middel van geconstrueerde beelden van het verleden. Herkomstmythes en gefingeerde stamreeksen vormden een vast gegeven in de vroegmoderne geschiedschrijving. In onze tijd daarentegen staat de genealogie vaak in dienst van maatschappelijk onbehagen. Het geconstrueerde succesverhaal van de voorouders wordt afgezet tegen een problematisch heden waarin gezinsleven, groepsidentiteit en sociale cohesie niet meer vanzelfsprekend lijken te zijn.

Wapen Knottnerus (NP 1951) bewerkt 2

Consumor aliis inserviendo

Ik stam uit een Groningse boerenfamilie die zijn naam deelt met een oud predikantengeslacht uit Oostfriesland. Beide families waren ooit verwant, maar daarvoor moet je bijna drie eeuwen terug. De gedeelde herinnering is al lang geleden verloren gegaan. De domineesdochter die op een boerderij terecht kwam had nakomelingen die het uitstekend deden in de landbouw. Hun dochters trouwden vaak met predikanten en de belangstelling voor godsdienstige retoriek bleef volop aanwezig. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de gemeenschappelijke voorgeschiedenis opnieuw benadrukt. De predikantendynastie had zich inmiddels in Nederland en de Verenigde Staten voortgezet. Beide families herkenden elkaars liefde voor het koningshuis, gehechtheid aan de Dordtse leerstellingen en betrokkenheid bij het Réveil.

Mythes speelden daarbij een belangrijke rol. In werkelijkheid heeft het voorgeslacht nooit op een landgoed gewoond. De vesting Oberhaus aan de Donau werd in 1219 gesticht als dwangburcht voor de vorst-bisschop van Passau. De reformatie heeft in dit ministaatje nauwelijks voet aan de grond gekregen. Het familieverhaal is ontstaan door knip-en-plakwerk: fragmenten van de overlevering werden gecombineerd met informatie uit recente naslagwerken.

Herenboeren en predikanten hadden elkaar tot op zekere hoogte nodig. De dominee was afhankelijk van de opbrengst van het land. Bij iedere dorpspastorie hoorden akkers en weilanden en de bewoner was het aan zijn stand verplicht enig personeel te houden. Slaagde een predikant er niet in goede huwelijkspartners voor zijn kinderen te vinden, dan raakten zijn nakomelingen aan lager wal of bleven de dochters ongehuwd. Omgekeerd teerden de boeren op het prestige van de predikanten. Zij woonden op landgoederen, al mochten die niet zo heten: herenhuizen met driedubbele rijen vensters, Engelse tuinen en daarachter een grote boerenschuur. Een hele serie nakomelingen in vrouwelijke lijn tooide zich met een dubbele achternaam of gebruikte de familienaam als tweede voornaam. “Knottnerus, das ist ja Bauernadel”, zo vatte een Oostfriese journalist nog eind jaren tachtig samen.

Aan de basis van de familietraditie ligt het relaas van drie broers uit de omgeving van Neurenberg die tijdens de Dertigjarige Oorlog naar het noorden trokken. De oudste vestigde zich als lakenverver in Den Haag, de tweede kwam als officier naar Westfalen, de derde werd predikant in de Krummhörn bij Emden. De laatste creëerde een mythische vertelling die in 1820 door een van zijn nakomelingen werd opgetekend. De herinnering werd ondersteund door een grafzerk uit 1684, getooid met het vermeende familiewapen en voorzien van vrome spreuken en symbolen.

Greetsiel.grafzerk.DSCF0218

Grafzerk van Johann Michael Knottnerus, Greetsiel 1684 (foto © Jan Knottnerus)

Het gedenkteken te Greetsiel schildert dorpspredikant Johann Michael Knöttnerus uitdrukkelijk als balling uit Gnadenberg in de Opper-Palts die ‘na verschillende avonturen’ in vreemde landen terecht is gekomen. De overlevering verhaalt hoe hij uit een ‘oud aanzienlijk geslacht’ stamde en ‘alle zijne rijkdommen’ vanwege het geloof heeft moeten achterlaten. Voor zijn broers is slechts een passantenrol weggelegd. Tijdens zijn vlucht had de student ‘verscheidene merkwaardige lotgevallen’ beleefd. Bij aankomst in Groningen bezat hij niet meer dan een (zegel)ring en een degen, maar ‘de edelmogende heren provincial’ gunden hem een studiebeurs, waarna hij predikant kon worden. Voor volgende generaties heeft hij een dringende raad: “Ook gij, wandelaar, zult niets meenemen. Ga, en volg gewillig waarheen het lot u trekt!”.

 

De mythe werd lange tijd gekoesterd; genealogische notities kregen een plek in het stamboek dat in 1836 inmiddels dertien namen van predikanten bevatte. Dopelingen werden vernoemd naar de stamvader en tegelijkertijd raakte ook het familiewapen met de vredesduif in zwang. Beide elementen waren ontleend aan de grafzerk. De naam was al in de zeventiende eeuw veranderd in Knottnerus zonder umlaut en uitgesproken als knot-nēris (/knɔt’nɪ:rʏs/), vermoedelijk om de deftige Latijnse vorm te benadrukken en de associatie met woorden als knoet en kneuter (met de bijbetekenis van ‘boerenpummel, Westfaalse immigrant’) tegen te gaan. Ook de tweede ‘t’ werd gekoesterd. De verwanten in het Oldambt wisten rond 1850 in de meeste gevallen te voorkomen dat die door bureaucratische slordigheid verloren zou gaan.

De invloedrijke Haagse predikant Ivo Gaukes Knottnerus legde uiteindelijk het contact met verwanten in Groningen en Oostfriesland. Hij gaf de bekende genealoog Diederik van Epen opdracht om een stamboom te maken, die werd gepubliceerd in De Wapenheraut van 1897. De boerentak kwam daarin nog niet voor. Van Epen nam wel contact op met familieoudste Samuel Ottes Knottnerus te Oostwold, maar die was onlangs overleden. De belangstelling voor de voorgeschiedenis was zo opvallend dat het kerkbestuur van Greetsiel rond 1900 besloot de grafzerk te verplaatsen vanuit het koor van de kerk naar een prominente plek naast de kansel om zo verdere slijtage te voorkomen.

De Rotterdamse juriste Cootje Blomhert-Knottnerus completeerde beide stambomen; ze werden in 1951 opgenomen in Nederland’s Patriciaat. Vanaf 1962 werden geregeld familiereünies gehouden en in 1991 volgde de oprichting van een familiestichting die de geconstrueerde herinnering koesterde. Vijf neven die predikant waren, beten bij dit alles de spits af, maar ook de nakomelingen van de boerentak lieten zich niet onbetuigd.

Nieuwe archiefvondsten vulden de mythe verder aan. Uit onderzoek in Beieren bleek in 1934 dat de eerst bekende voorvader Johann Knöttner afkomstig was uit Eger (nu Cheb) in Bohemen en in 1601 promoveerde aan de lutherse hogeschool van Altdorf bij Neurenberg. Zo meende men (ten onrechte) de naam Knottnerus met de voorgeschiedenis van het protestantisme in Bohemen te kunnen verbinden.

Het verhaal van de familie Knottnerus, zoals zich dat in de loop der eeuwen ontwikkeld heeft, is typerend voor een collectieve autobiografie. Hij brengt verschillende levensverhalen samen in een overkoepelend en grotendeels politiek-religieus perspectief dat een voortzetting lijkt van het vertoog op de grafzerk van de stamvader. De familieleden zijn ballingen op aarde en dienen zich ook als zodanig te gedragen. De hierdoor aangesproken waarden onderstrepen de onderlinge solidariteit en de noodzaak binnen eigen kring te huwen teneinde de erfenis van de protestantse orthodoxie veilig te stellen. Ze kregen bovendien een nieuwe betekenis door de opkomst van een orthodox-protestantse ‘zuil’ in het laatst van de negentiende eeuw, die gelijkgerichte groepen in verschillende delen van Nederland samenbracht. Het einde van de verzuiling verbrak daarentegen de vanzelfsprekende band tussen verre familieleden. Predikanten zijn er vrijwel niet meer in de familie. Het verhaal is versleten geraakt en leent zich nauwelijks voor hergebruik.

De collectieve autobiografie heeft ook zijn valkuilen. Complete takken van de familie, vooral in Duitsland en de Verenigde Staten, ontbraken in de stamboom. Ze raakten buiten het blikveld van de predikantendynastie. Opeenvolgende generaties vertrokken naar het stadje Leer in Oostfriesland, waar ze vooral in koophandel en nijverheid werkzaam waren. Dat geldt ook rus de broer van de stamvader, de officier uit Coesfeld, wiens zoon en kleinzoon uit Leer wel degelijk universitair geschoold waren. En nog steeds duiken onbekende verwanten uit de archieven op, zoals een schippersvrouw in Amsterdam, een binnenschipper in Groningen en een keurslijfmaker in Leeuwarden.

Het zelfbeeld van de hervormde orthodoxie had weinig aandacht voor andersdenkenden. De mystieke laag in de familiegeschiedenis werd al snel weggeretoucheerd. Recente vondsten zetten deze verborgen kanten in een ander licht. We volgen daarom het verhaal van de stamvader en twee van zijn zonen: de dominee en de alchemist. Voor de derde zoon is nog altijd een schaduwrol weggelegd.

Voorvader Johann Knöttner werd vroegtijdig gegrepen door het strenge calvinisme. De directe omgeving van Neurenberg behoorde tot de Opper-Palts. De familie van de keurvorst was sinds 1583 het calvinisme toegedaan en benoemde waar mogelijk gereformeerde predikanten en schoolmeesters. Het was een klassieke reformatie van bovenaf. Het calvinisme bood de keurvorst vooral een handvat om de bevolking sterker te disciplineren, morele misstanden tegen te gaan en de staatsmacht verder uit te bouwen.

De keuze voor het calvinisme was daarom niet alleen een kwestie van persoonlijke overtuiging, het vormde ook een carrièrepad. Knöttner was de eerste calvinistische rector van het stadsgymnasium in Neumarkt in der Oberpfalz. Het grootste deel van de leerlingen en hun ouders was luthers. De burgerij van het stadje verzette zich tegen de godsdienstpolitiek van de regering. Maar de rector wist zich goed te handhaven: dankzij zijn huwelijk met de dochter van een hoge beambte ging hij bij de plaatselijke elite horen. Daaraan zal hij het mede te danken hebben gehad dat hij werd benoemd tot predikant, eerst in de omgeving waar zijn schoonvader had gewoond, daarna in een deftige parochie bij het voormalige klooster Gnadenberg. Twee van zijn zoons werden ten doop gehouden door vooraanstaande beambten. Eén daarvan (dr. Johann Jacob Heber) was later een sleutelfiguur in het internationale netwerk dat de calvinistische diaspora vanuit Neurenberg ondersteunde en medegelovigen hielp bij hun vlucht.

In 1621 werd de Opper-Palts weer katholiek. De jonge keurvorst Frederik V was twee jaar daarvoor gekozen tot koning van Bohemen. Al na één winter verloor hij zijn koninkrijk, wat hem de bijnaam Winterkoning opleverde. Daarna werd hij ook uit zijn eigen vorstendom verjaagd en vluchtte hij naar Holland. Het nieuwe bewind trok de touwtjes strak aan; de protestantse voorgangers werden ontslagen. De predikant moest in 1626 met zijn gezin naar het nabijgelegen Altdorf uitwijken. Het erfdeel van zijn vrouw (een kwart hoeve te Markt Kastl) werd in beslag genomen.

Even leken de krijgskansen zich te keren. De zeventienjarige Johann Michael begaf zich in 1634 naar Heidelberg om daar te gaan studeren, maar moest al na korte tijd voor het oorlogsgeweld vluchten. Slechts met moeite kon hij Bremen bereiken. De details zijn te lezen in een aanbevelingsbrief die de diplomaat Johann Joachim von Rusdorf, hoofd van de vorstelijke regering in ballingschap, in 1637 schreef. De brief was gericht aan diens oude strijdmakker Hendrik Alting, hoogleraar theologie in Groningen, aan wie hij vroeg zich over de student te ontfermen. De diplomaat had eerder Johann Michaels oudere broer als secretaris in dienst genomen. Rusdorfs familie stamde overigens uit de omgeving van Passau en het familieverhaal over een verloren stamgoed lijkt vooral op hem te slaan. De broer Johann Caspar Knöttner volgde zijn werkgever op diplomatieke reizen tot deze zich eind 1637 in Den Haag vestigde, in de nabijheid van het keurvorstelijke hof.

Johann Michael kwam goed terecht in Groningen. Hij huwde een dochter van stadspredikant Cornelius Hillenius, voorman der contraremonstranten, en kreeg dankzij zijn hoogleraar een aanstelling in Oostfriesland. Hoewel de details (afgezien van een albuminscriptie) ontbreken, is het waarschijnlijk dat hij deel uitmaakte van een kring van jonge Duitse theologen die – in het voetspoor van Comenius en Duraeus – in de ban raakten van chiliasme, irenisme en mystiek. De zoons in Oostfriesland kozen voor de ruimhartige verbondstheologie van Coccejus en pas in de volgende generatie gaven de kleinzoons zich over aan de strenge dogmatiek van Voetius.

De broer Johann Caspar werd foerier van de Winterkoningin, daarna lakenverver in Den Haag; hij huwde een domineesdochter en had omgang met soortgelijke kringen als waarin zijn broer verkeerde, tot hij met zijn gezin in 1665 overleed aan de pest. Beide broers hadden onderling goed contact en zorgden ervoor dat hun neefje uit Coesfeld een baan kreeg als assistent van de Leidse hoogleraar Georgius Hornius, een leerling van Alting die eveneens uit de Opper-Palts stamde.

Johann Caspar Knöttner was gespecialiseerd in het verven van scharlakenrood, een kunst die slechts weinigen beheersten. Hij stond bekend als alchemist en bezat een verzameling zeldzame handschriften (“every good MS chymical”). Het geheime verfprocedé dat gebruik maakte van koningswater en tinzout was ontwikkeld door de gebroeders Kuffeler uit Keulen, schoonzoons van de bekende uitvinder Cornelis Drebbel. Zij werkten aanvankelijk in een  voorstad van Londen, maar weken vanwege de Engelse burgeroorlog uit naar Den Haag, waarna ze in 1646 het landgoed Hulkestein bij Arnhem huurden. Huis en bouwhof waren eigendom van de Arnhemse burgemeester Diederik van de Sande, die het complex gedurende twee termijnen van tien jaar aan hen overdroeg. Het herenhuis aan de Rijnstroom werd een ontmoetingspunt voor liefhebbers van experimentele wetenschap en hermetische filosofie. Het was bovendien een snelweglocatie avant la lettre: de rode lakens aan de droogrekken zorgden voor de benodigde reclame om nieuwe klanten te trekken.

Ditzelfde jaar berichtte een Duits correspondent vanuit Amsterdam dat er inmiddels een geleerde landsman van hem was die het geheim van Kuffeler had ontsluierd. Het was volgens toeschouwers beslist geen slodderwerk; het verfwerk werd allemaal zorgvuldig en netjes uitgevoerd. Daarbij moet het welhaast om Johann Caspar gaan. In augustus 1655 stond deze op het punt om naar Engeland te reizen, wellicht om daar de markt te verkennen. “Hij heeft goede scharlakenverf”, berichtte de beroemde geleerde Samuel Hartlib, “maar niet zo goed als die van Kuffeler hier in Engeland, die nooit vlekt”.

Het bedrijf op Hulkestein werd in 1658 overgenomen door een andere bekende, de alchemist en pansofist Johann Moriaen uit Neurenberg. Deze oud-predikant van Nederlandse afkomst had eerder (samen met Heber) een belangrijke rol gespeeld in het calvinistische ondersteuningswerk dat ook de familie Knöttner had geholpen. Moriaen had geld nodig nadat hij pijnlijke verliezen had geleden bij eerdere pogingen om goud uit tin te maken. Hij was op zijn beurt nauw bevriend met Hornius, die zich eveneens met dergelijke experimenten bezig hield. In vier jaar tijd kwam Moriaen er weer bovenop, waarna hij het bedrijf verkocht..

Scharlakenrood had een hoge symbolische lading. Het paste niet alleen in het modebeeld: de heldere ‘Kuffelaars couleur’ was het meest glanzende rood dat Europa ooit had gezien. Het was tevens de kleur van het einde der tijden en van de een na laatste fase in het alchemistische proces: de fase van ‘roodheid’ (rubedo), symbolisch voor het overwinnen van de tegenstelling tussen geest en materie en het ontstaan van een verlicht bewustzijn dat aan geestelijke en lichamelijke wederopstanding vooraf zou gaan. Het zoeken naar het perfecte scharlakenrood stond daarom in het licht van de speurtocht naar de steen der wijzen, die andere stoffen in goud kon laten veranderen en zijn bezitter eeuwig leven zou verschaffen.

Alchemie en gereformeerde spiritualiteit waren twee kanten van dezelfde medaille. Eindtijdverwachtingen hadden een belangrijke plek aan het hof van de Winterkoning: mystieke kringen uit heel Europa hadden hoge verwachtingen van diens huwelijk met de Engelse koningsdochter in 1613. De huwelijksband werd afgeschilderd als een heilig verbond dat grote veranderingen zou inleiden. Allen waren op zoek naar een goddelijke vonk die de wereld zou doen veranderen. Ook aan het hof in Den Haag bleef deze sfeer hangen.

Dat Johann Caspar Knöttner zich actief met alchemie heeft bezig gehouden lijdt geen twijfel.  De chemicus Johann Daniel Crafft vertelde later hoe de lakenverver hem in een Amsterdamse herberg op dure Spaanse wijn trakteerde. Toen Crafft vroeg waarom hij zo vrijgevig was geworden vertelde Knöttner hem dat hij onlangs had geleerd kwikzilver te transformeren in echte zilver. Zijn gast, die de voor het experiment benodigde zwavel zelf moest betalen, liet zich overtuigen, maar het procedé doet achteraf nog het meest denken aan een klassieke goocheltruc.

Serieuzer is het verhaal van de Haagse arts Johann Friedrich Helvetius in zijn bestseller Vitulus Aureus (‘Gouden Kalf’) uit 1667. Hierin vertelt hij hoe zijn goede vriend Johann Caspar Knöttner een zoutzuurmengsel leverde aan de Haagse zilversmid Andries Grill, waardoor deze zilver uit lood wist te produceren. De zilversmid probeerde het daarna nog weer, maar het mengel van zijn plaatsgenoot bleek onmisbaar om het experiment te laten slagen. Toen de listige Grill uiteindelijk besloot open kaart te spelen, was de ander, die verschillende mengsels in voorraad had, naar eigen zeggen al weer vergeten welke hij had meegegeven. Beide stierven kort daarna. Waar zij halverwege faalden, beweerde Helvetius alsnog te zijn geslaagd.

Omstreeks dezelfde tijd werd ook Hornius overvallen door een ‘razende melancholie’, nadat een listige goudmaker of alchemist uit Den Haag – wellicht Grill – hem vijfduizend gulden afhandig had gemaakt. In een vlaag van verstandsverbijstering liep hij naakt door de straten van Leiden, in het Latijn uitroepend: “Heb je ooit een paradijselijker mens gezien? Ik ben Adam!” De bewering dat de mens zich kon transformeren en net als Adam zonder zonde zou kunnen zijn, sprak de spiritualisten sterk aan. In de ogen van de gereformeerde orthodoxie dreigde dit te ontaarden in ketterij. Hornius had bovendien het aanzien van de universiteit geschaad. Hij kwam min of meer onder curatele te staan en werd uiteindelijk gedwongen elders een aanstelling te zoeken. Om alsnog zijn gelijk te bewijzen publiceerde hij een tekst van de middeleeuwse alchemist Jābir ibn Hayyān (Geber Arabis) met een inleiding over het waarheidsgehalte van de alchemie en een traktaat van zijn overleden oom Caspar Horn uit Neurenberg. Kort voor zijn geplande vertrek naar Heidelberg in 1670 stierf de strijdbare hoogleraar. Zijn landgenoot Johann Caspar Knöttner was toen al overleden en het neefje uit Coesfeld had zich inmiddels als verfverkoper in het stadje Leer gevestigd.

Zo blijken alchemie en spiritualiteit een verborgen laag binnen de familiegeschiedenis te zijn die door de latere orthodoxie is afgedekt. De herinneringen van de dominees hebben die van de alchemisten verdrongen. Maar ook hier is het de schijn die bedriegt. De familie bleek wel degelijk vatbaar voor het spiritualisme. Kleinzoon Samuel Knottnerus (1675-1749), predikant in het weidedorp Böhmerwold, verzette zich heftig tegen het opkomende piëtisme, maar gaf zich op zijn 57ste alsnog gewonnen. Diens zoon Johannes vertelde later hoe hij met zijn ouders en drie zusters binnen korte tijd “op het allernadrukkelijkste bekeerd” raakte, waardoor hij “uit het rijk des Satans in den dienst van Christus overgebracht wierd”. De vader liet op zijn grafsteen vermelden dat het goddelijke heil hem pas na 37 jaar uit de duivelse poel der letterwijsheid had gerukt, en dat alleen “om hier noch voor den Heer wat sielen te vergaren”. Sindsdien behoorde de familie tot de voorvechters van het bevindelijke christendom.

Zelfs het familiewapen op de grafzerk van 1684 leent zich voor alternatieve interpretaties. In Luthers bijbelvertaling is de tortelduif uit Psalm 74:19 een symbool voor het volk Israël, gevlucht uit het door oorlog verwoest land en gekweld door verlangen naar goddelijke rechtvaardigheid. Maar wat op het oog een simpele vredesduif lijkt, een irenisch teken van verzoening tussen de religies, blijkt bij nadere beschouwing tevens een hermetisch symbool. Zo staat de duif binnen de Joodse mystiek voor de onsterfelijke ziel van de mens. In de Kaballa wordt beschreven hoe de Messias tot zijn komst in een soort hemelse duiventil verblijft. Voor de hermetici die zich door de Joodse traditie liet inspireren werd het daarom een belangrijk gegeven dat Christus’ ziel was ontsnapt aan zijn stervende lichaam op Golgotha. Eerst zijn reis naar de onderwereld maakte de totale overwinning op de dood mogelijk.

Bij de alchemie ging het niet alleen om scheikundige processen. De zoektocht naar de steen der wijzen was tegelijkertijd – zoals Jung benadrukt – een metafoor voor geestelijke transformatie, inkeer en vernieuwing. En omgekeerd: religieuze modellen werden gebruikt om beter begrip te krijgen van de natuur. Deze kennis was niet voor iedereen weggelegd; hij werd, zo meende men, alleen geopenbaard aan diegene die zich voor innerlijke vernieuwing openstelde. De geheime kennis was bovendien geld waard (zoals we zien bij de lakenververij), waarom men alleen tegenover vertrouwde vrienden klare taal durfde te spreken.

Aan het begin van het alchemistische proces staat de duif voor de goddelijke inspiratie die nodig is om werk van transformatie te laten beginnen. Het bekende traktaat Rosarium Philosophorum, opgenomen in de bundel De Alchimia uit 1550, beeldt dit beginpunt uit als een neerdalende duif een roos komt brengen. Het bijschrift stelt: “Het is de Geest die levend maakt” en in een andere variant “Het is de Geest die verenigt”. Het is nu juist deze houtsnede die model staat voor verschillende prenten waarmee het heilige huwelijk tussen Frederik van de Palts en Elizabeth Stuart in 1613 werd opgeluisterd.

De duif op de grafzerk staat boven een brandende kaars die op zijn beurt rust op een schedel met twee doodsbeenderen. Zowel het embleem als het bijbehorende motto Consumor aliis serviendo (“ik word verteerd door anderen te dienen”) werden doorgaans gebruikt door artsen. Maar ook hier gaat het tegelijkertijd om een alchemistisch symbool. De eerste fase van het Grote Werk is een periode van lijden, ontbinding en versterving (nigredo of ‘zwartheid’). Dit wordt doorgaans afgebeeld als een kraai of raaf die op een schedel zit. Pas in de volgende stap maakt de geest zich los uit de verstrengeling met de dode materie. Dit is de fase van de albedo of ‘witheid’, het wegwassen of wegbranden van onzuiverheden, waardoor de essentie van de dingen zichtbaar wordt. Bij chemische processen herkende men dit aan de zouten, destillaten en extracten die zich hadden gevormd. Op deze wijze dacht men ook onedele metalen in zilver te kunnen veranderen. De alchemisten beeldden deze fasen gewoonlijk uit als een witte duif die na een langdurig gevecht de zwarte raaf overwint.

Basilius Valentinus (1613-1678) kleur

Titelblad van Basilius Valentinus, Azoth (1613), ingekleurd

Soms zien we in de afbeeldingen een opvliegende duif die zich heeft losgemaakt van de materie. Dit is niet alleen een teken dat de reinigingsfase is voltooid. Hij staat hier ook voor de vogel van Hermes (avis hermetis), de boodschapper der goden en de brenger van verborgen kennis. Uit het zogenaamde Boek van Lambspring, ontstaan rond 1500 in Noord-Duitsland, blijkt dat deze goddelijke vogel een metafoor is voor het levenspad van vrome mannen en vrouwen die steeds meer streven naar het hogere, maar nog steeds innerlijk verscheurd worden door materiële zorgen en liefde voor hun kinderen. De vogel die op haar nest zit (in dit geval een adelaar) houdt haar evenbeeld tegen die omhoog wil vliegen. Uiteindelijk dragen de beide duiven de kroon van de overwinning. Dergelijke beelden waren wijd verbreid dankzij alchemistische handboeken als die van Basilius Valentinus (Azoth, 1613), Johannes Daniel Mylius (Philosophia Reformata, 1622) en het Musaeum Hermeticum (1625), het laatste met illustraties van de bekende etser Matthäus Merian.

Nog één keer komt de duif daarna terug in iconografie van het Grote Werk van de alchemisten, nu aan het slot van de laatste fase van rubido of ‘roodheid’. De duif symboliseert hier de overwinning van alle tegenstellingen en de voltooiing van het transformatieproces. Hij heeft zich losgemaakt van materiële zorgen, maar moet alleen nog zijn vurige passie beteugelen. Hij raakt in een bloedig gevecht met zijn tegenspeler, maar wordt daardoor opnieuw getransformeerd. “Uit de duif wordt een nieuwe fenix geboren, die duisternis, stank en dood achter zich laat, om zo een nieuw leven te beginnen”, zoals Lambspring het onder woorden brengt.  De fenix die ongeschonden oprijst uit het vuur staat voor het geloof in de onsterfelijke ziel en de verwachting van een eeuwig leven. Uiteindelijk krijgt de duif als symbool van de Heilige Geest een plek tegenover het Lam Gods aan de linkerhand van de Schepper. Deze fase wordt ook wel afgebeeld als de wederstanding, wanneer de dode oprijst uit zijn graf.

De duif was in het begin van de zeventiende eeuw een belangrijk symbool voor innerlijke transformatie en het kan haast niet anders dan dat Johann Michael deze beeldentaal van nabij heeft gekend. Er bestonden in deze periode nogal wat raakvlakken tussen strenge calvinisten, puriteinen en spiritualisten. Men had nauwelijks redenen om van deze symboliek afstand te nemen. De familieoverlevering suggereert dat het familiewapen stond afgebeeld op de zegelring en daarom veel ouder was. Maar het kan evenzeer om een nieuwe symboliek gaan die de dominee met zijn broers deelde.

Op de grafzerk van Johann Michael worden alle drie fasen van innerlijke transformatie aangeduid als in een stripverhaal: het lijden en versterven door anderen te dienen (de brandende kaars op de schedel), de losmaking van het materiële (de zittende duif) en de uiteindelijke bevrijding (de opvliegende duif). In beide gevallen maakt de duif zich los van de ondergrond die hier wordt afgebeeld als een rotspunt. De rotspunt is tegelijkertijd een verwijzing naar het sterven van Christus op de berg Golgotha (Hebreeuws voor ‘schedelplaats’). Johann Michael stamde naar eigen zeggen uit Gnadenberg (een zinspeling op Golgotha), maar had zich daar noodgedwongen van los moeten maken. De olijftak kan tenslotte worden opgevat als teken van overwinning.

De alchemistische symboliek heeft mogelijk nog een onverwachte kant, omdat hij tevens naar de lakenververij van de broer Johann Caspar Knöttner lijkt te verwijzen. De duif maakt zich los van de rotspunt (knott), zoals het witte tinzout zich losmaakt uit het tinerts (knötel) van Bohemen. Het resultaat is de prachtige rode kleur die men nastreefde. Het is bovendien een afspiegeling van de verwachting dat men ooit tin in zilver of goud zou kunnen transformeren, zoals men hoopte ook de ziel te kunnen transformeren. Dit geeft een onverwachte bijklank aan de naam Knöttner(us). Het gaat zo gezien niet alleen om de bewoner van een rotspunt, ook om een soort beroepsnaam: iemand die in staat moet worden geacht met Gods hulp de materie in het hogere te veranderen.

Een geannoteerde versie van dit artikel verscheen in:  Conrad Gietman et al. (red.), Huis en habitus. Over kastelen, buitenplaatsen en notabele levensvormen. Opstellen voor prof.dr. Yme Kuiper, aangeboden bij zijn afscheid als bijzonder hoogleraar Historische Buitenplaatsen en Landgoederen aan de Rijksuniversiteit Groningen, Hilversum: Verloren, 2017, p. 212-225.

Advertenties

Over Otto S. Knottnerus

Historisch-socioloog grensoverschrijdend historicus
Dit bericht werd geplaatst in Geschiedenis / Geschichte / History, Uncategorized en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

4 reacties op Familiemythe als collectieve (auto)biografie: De dominee en de alchemist

  1. willempower zegt:

    Hoi hoi
    Wij hadden een dominee die ook Knottnerus heette , geweldige man , en zijn vrouw ook dominee.

    Mvg.

    Willem Power

  2. Ron Glasbeek zegt:

    Mooi stuk Otto, vooral het deel over Perfect scharlakenrood en alchemie.

  3. Dank voor de nieuwe inzichten. Als leek probeer ik ook zo mijn ideeën over mijn stamboom te verwoorden, alleen vind ik dat nog wel moeilijk.
    Arjen Canrinus(stamvader was werner warnerus Cancrinus, dominee te Wier, rector te Franeker. Afkomstig uit Bremen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s