Familiemythe als collectieve (auto)biografie: De dominee en de alchemist

Hun stamgoed zal geweest zijn het adellijk goed Obernhausen in de Donaupfalz, waarom de eerstbekende persoon (Johannes Michaelis Knottnerus) zal gezegd hebben: Obernhausen ist mein! […] Oberhaus is een sterk kasteel tegenover Passau gelegen, op eenen berg aan den mond van het riviertje Ilm in Nederbaiern. Bij deszelfs verlating heeft de Roomsch Katholieke geestelijkheid zich hetzelve aangematigd, doch in nieuwere tijden is het weder gesaeculariseerd of wereldlijk gemaakt en de vestingwerken zijn met vele posten vermeerderd geworden. Met het Oberhaus is door een voortloopende muur het slot Niederhaus verbonden.

Het is bijna een halve eeuw geleden dat Lawrence Stone het begrip collectieve biografie introduceerde. De term is Weberiaans gekleurd: hij brengt niet alleen de levens van de groepsleden in al hun verschillende dimensies in kaart. Hij houdt ook rekening met zelfreflectie, het bewustzijn van de groepsleden van datgene wat hen onderling bindt en scheidt van de wereld om hen heen, kortom de groepsidentiteit en de daarmee verbonden individuele en collectieve strategieën. Dit in tegenstelling tot het begrip prosopografie pur sang, dat veel meer – in de lijn van de New Social History – de blik van buitenaf veronderstelt en het onderzoeksobject construeert op basis van gerichte onderzoeksvragen en waargenomen gemeenschappelijkheden.

Beide begrippen worden vaak onnodig verward. Volgens Charles Tilly kenmerkt de prosopografie zich door een statistische verwerkingswijze van losse biografische gegevens. In de collectieve biografie worden daarentegen vergelijkbare persoonsgegevens opnieuw gerangschikt tot een betekenisvol portret. Zijn voorkeur gaat overigens uit naar een derde onderzoekslijn: het verzamelen van vergelijkbare situaties en gebeurtenissen (event catalogs) teneinde achterliggende processen bloot te leggen.

Voor genealogen zijn deze verschillen zonneklaar. Als zij een stamboom maken komt de familie-identiteit al snel aan de orde, vooral als de naam van de familie met statusverwachtingen beladen is geraakt. Bij een parenteel (afstammingstabel) ligt dat gecompliceerder, omdat bij nakomelingen die buiten het familienetwerk zijn geraakt de herinnering vaak na enkele generaties verloren gaat. Een kwartierstaat benadert daarentegen eerder het ideaalmodel van de prosopografie. Doordat het onderzoek zich met terugwerkende kracht in een onbekend verleden uitstrekt, ontbreekt de factor van groepsidentiteit. De onderzoeksgroep lijkt haast willekeurig te zijn samengesteld; het punt waarop vage gemeenschappelijkheden worden omgezet in concrete verwantschapsrelaties ligt telkens in de toekomst.

Maar wat als de resultaten van het genealogische onderzoek een rol gaan spelen in het leven van de onderzochte groepsleden? Als de onderzoeker deel gaat uitmaken van het onderzoeksveld? Als het stamboomonderzoek – zoals dat in Europa vanouds gebruikelijk is – in dienst komt te staan van netwerkopbouw, loopbaanverwachtingen en carrièrepad? We zouden hier kunnen welhaast spreken van een collectieve autobiografie, die telkens door volgende generaties herschreven wordt en als zodanig een functie heeft voor huidige groepsleden en hun geprojecteerde toekomst. Het begrip collectieve autobiografie wordt vaak gebruikt om de geschiedenis te beschrijven van afzonderlijke generaties die zich bewust worden van het gedeelde verleden, zoals de kinderen van de Holocaust of de Flower Power generatie. Maar typerend voor de genealogie is nu juist dat het verworven groepsbewustzijn aan volgende generaties wordt overgedragen door middel van geconstrueerde beelden van het verleden. Herkomstmythes en gefingeerde stamreeksen vormden een vast gegeven in de vroegmoderne geschiedschrijving. In onze tijd daarentegen staat de genealogie vaak in dienst van maatschappelijk onbehagen. Het geconstrueerde succesverhaal van de voorouders wordt afgezet tegen een problematisch heden waarin gezinsleven, groepsidentiteit en sociale cohesie niet meer vanzelfsprekend lijken te zijn.

Wapen Knottnerus (NP 1951) bewerkt 2

Consumor aliis inserviendo

Ik stam uit een Groningse boerenfamilie die zijn naam deelt met een oud predikantengeslacht uit Oostfriesland. Beide families waren ooit verwant, maar daarvoor moet je bijna drie eeuwen terug. De gedeelde herinnering is al lang geleden verloren gegaan. De domineesdochter die op een boerderij terecht kwam had nakomelingen die het uitstekend deden in de landbouw. Hun dochters trouwden vaak met predikanten en de belangstelling voor godsdienstige retoriek bleef volop aanwezig. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de gemeenschappelijke voorgeschiedenis opnieuw benadrukt. De predikantendynastie had zich inmiddels in Nederland en de Verenigde Staten voortgezet. Beide families herkenden elkaars liefde voor het koningshuis, gehechtheid aan de Dordtse leerstellingen en betrokkenheid bij het Réveil.

Mythes speelden daarbij een belangrijke rol. In werkelijkheid heeft het voorgeslacht nooit op een landgoed gewoond. De vesting Oberhaus aan de Donau werd in 1219 gesticht als dwangburcht voor de vorst-bisschop van Passau. De reformatie heeft in dit ministaatje nauwelijks voet aan de grond gekregen. Het familieverhaal is ontstaan door knip-en-plakwerk: fragmenten van de overlevering werden gecombineerd met informatie uit recente naslagwerken.

Herenboeren en predikanten hadden elkaar tot op zekere hoogte nodig. De dominee was afhankelijk van de opbrengst van het land. Bij iedere dorpspastorie hoorden akkers en weilanden en de bewoner was het aan zijn stand verplicht enig personeel te houden. Slaagde een predikant er niet in goede huwelijkspartners voor zijn kinderen te vinden, dan raakten zijn nakomelingen aan lager wal of bleven de dochters ongehuwd. Omgekeerd teerden de boeren op het prestige van de predikanten. Zij woonden op landgoederen, al mochten die niet zo heten: herenhuizen met driedubbele rijen vensters, Engelse tuinen en daarachter een grote boerenschuur. Een hele serie nakomelingen in vrouwelijke lijn tooide zich met een dubbele achternaam of gebruikte de familienaam als tweede voornaam. “Knottnerus, das ist ja Bauernadel”, zo vatte een Oostfriese journalist nog eind jaren tachtig samen.

Aan de basis van de familietraditie ligt het relaas van drie broers uit de omgeving van Neurenberg die tijdens de Dertigjarige Oorlog naar het noorden trokken. De oudste vestigde zich als lakenverver in Den Haag, de tweede kwam als officier naar Westfalen, de derde werd predikant in de Krummhörn bij Emden. De laatste creëerde een mythische vertelling die in 1820 door een van zijn nakomelingen werd opgetekend. De herinnering werd ondersteund door een grafzerk uit 1684, getooid met het vermeende familiewapen en voorzien van vrome spreuken en symbolen.

Greetsiel.grafzerk.DSCF0218

Grafzerk van Johann Michael Knottnerus, Greetsiel 1684 (foto © Jan Knottnerus)

Het gedenkteken te Greetsiel schildert dorpspredikant Johann Michael Knöttnerus uitdrukkelijk als balling uit Gnadenberg in de Opper-Palts die ‘na verschillende avonturen’ in vreemde landen terecht is gekomen. De overlevering verhaalt hoe hij uit een ‘oud aanzienlijk geslacht’ stamde en ‘alle zijne rijkdommen’ vanwege het geloof heeft moeten achterlaten. Voor zijn broers is slechts een passantenrol weggelegd. Tijdens zijn vlucht had de student ‘verscheidene merkwaardige lotgevallen’ beleefd. Bij aankomst in Groningen bezat hij niet meer dan een (zegel)ring en een degen, maar ‘de edelmogende heren provincial’ gunden hem een studiebeurs, waarna hij predikant kon worden. Voor volgende generaties heeft hij een dringende raad: “Ook gij, wandelaar, zult niets meenemen. Ga, en volg gewillig waarheen het lot u trekt!”.

 

De mythe werd lange tijd gekoesterd; genealogische notities kregen een plek in het stamboek dat in 1836 inmiddels dertien namen van predikanten bevatte. Dopelingen werden vernoemd naar de stamvader en tegelijkertijd raakte ook het familiewapen met de vredesduif in zwang. Beide elementen waren ontleend aan de grafzerk. De naam was al in de zeventiende eeuw veranderd in Knottnerus zonder umlaut en uitgesproken als knot-nēris (/knɔt’nɪ:rʏs/), vermoedelijk om de deftige Latijnse vorm te benadrukken en de associatie met woorden als knoet en kneuter (met de bijbetekenis van ‘boerenpummel, Westfaalse immigrant’) tegen te gaan. Ook de tweede ‘t’ werd gekoesterd. De verwanten in het Oldambt wisten rond 1850 in de meeste gevallen te voorkomen dat die door bureaucratische slordigheid verloren zou gaan.

De invloedrijke Haagse predikant Ivo Gaukes Knottnerus legde uiteindelijk het contact met verwanten in Groningen en Oostfriesland. Hij gaf de bekende genealoog Diederik van Epen opdracht om een stamboom te maken, die werd gepubliceerd in De Wapenheraut van 1897. De boerentak kwam daarin nog niet voor. Van Epen nam wel contact op met familieoudste Samuel Ottes Knottnerus te Oostwold, maar die was onlangs overleden. De belangstelling voor de voorgeschiedenis was zo opvallend dat het kerkbestuur van Greetsiel rond 1900 besloot de grafzerk te verplaatsen vanuit het koor van de kerk naar een prominente plek naast de kansel om zo verdere slijtage te voorkomen.

De Rotterdamse juriste Cootje Blomhert-Knottnerus completeerde beide stambomen; ze werden in 1951 opgenomen in Nederland’s Patriciaat. Vanaf 1962 werden geregeld familiereünies gehouden en in 1991 volgde de oprichting van een familiestichting die de geconstrueerde herinnering koesterde. Vijf neven die predikant waren, beten bij dit alles de spits af, maar ook de nakomelingen van de boerentak lieten zich niet onbetuigd.

Nieuwe archiefvondsten vulden de mythe verder aan. Uit onderzoek in Beieren bleek in 1934 dat de eerst bekende voorvader Johann Knöttner afkomstig was uit Eger (nu Cheb) in Bohemen en in 1601 promoveerde aan de lutherse hogeschool van Altdorf bij Neurenberg. Zo meende men (ten onrechte) de naam Knottnerus met de voorgeschiedenis van het protestantisme in Bohemen te kunnen verbinden.

Het verhaal van de familie Knottnerus, zoals zich dat in de loop der eeuwen ontwikkeld heeft, is typerend voor een collectieve autobiografie. Hij brengt verschillende levensverhalen samen in een overkoepelend en grotendeels politiek-religieus perspectief dat een voortzetting lijkt van het vertoog op de grafzerk van de stamvader. De familieleden zijn ballingen op aarde en dienen zich ook als zodanig te gedragen. De hierdoor aangesproken waarden onderstrepen de onderlinge solidariteit en de noodzaak binnen eigen kring te huwen teneinde de erfenis van de protestantse orthodoxie veilig te stellen. Ze kregen bovendien een nieuwe betekenis door de opkomst van een orthodox-protestantse ‘zuil’ in het laatst van de negentiende eeuw, die gelijkgerichte groepen in verschillende delen van Nederland samenbracht. Het einde van de verzuiling verbrak daarentegen de vanzelfsprekende band tussen verre familieleden. Predikanten zijn er vrijwel niet meer in de familie. Het verhaal is versleten geraakt en leent zich nauwelijks voor hergebruik.

De collectieve autobiografie heeft ook zijn valkuilen. Complete takken van de familie, vooral in Duitsland en de Verenigde Staten, ontbraken in de stamboom. Ze raakten buiten het blikveld van de predikantendynastie. Opeenvolgende generaties vertrokken naar het stadje Leer in Oostfriesland, waar ze vooral in koophandel en nijverheid werkzaam waren. Dat geldt ook rus de broer van de stamvader, de officier uit Coesfeld, wiens zoon en kleinzoon uit Leer wel degelijk universitair geschoold waren. En nog steeds duiken onbekende verwanten uit de archieven op, zoals een schippersvrouw in Amsterdam, een binnenschipper in Groningen en een keurslijfmaker in Leeuwarden.

Het zelfbeeld van de hervormde orthodoxie had weinig aandacht voor andersdenkenden. De mystieke laag in de familiegeschiedenis werd al snel weggeretoucheerd. Recente vondsten zetten deze verborgen kanten in een ander licht. We volgen daarom het verhaal van de stamvader en twee van zijn zonen: de dominee en de alchemist. Voor de derde zoon is nog altijd een schaduwrol weggelegd.

Voorvader Johann Knöttner werd vroegtijdig gegrepen door het strenge calvinisme. De directe omgeving van Neurenberg behoorde tot de Opper-Palts. De familie van de keurvorst was sinds 1583 het calvinisme toegedaan en benoemde waar mogelijk gereformeerde predikanten en schoolmeesters. Het was een klassieke reformatie van bovenaf. Het calvinisme bood de keurvorst vooral een handvat om de bevolking sterker te disciplineren, morele misstanden tegen te gaan en de staatsmacht verder uit te bouwen.

De keuze voor het calvinisme was daarom niet alleen een kwestie van persoonlijke overtuiging, het vormde ook een carrièrepad. Knöttner was de eerste calvinistische rector van het stadsgymnasium in Neumarkt in der Oberpfalz. Het grootste deel van de leerlingen en hun ouders was luthers. De burgerij van het stadje verzette zich tegen de godsdienstpolitiek van de regering. Maar de rector wist zich goed te handhaven: dankzij zijn huwelijk met de dochter van een hoge beambte ging hij bij de plaatselijke elite horen. Daaraan zal hij het mede te danken hebben gehad dat hij werd benoemd tot predikant, eerst in de omgeving waar zijn schoonvader had gewoond, daarna in een deftige parochie bij het voormalige klooster Gnadenberg. Twee van zijn zoons werden ten doop gehouden door vooraanstaande beambten. Eén daarvan (dr. Johann Jacob Heber) was later een sleutelfiguur in het internationale netwerk dat de calvinistische diaspora vanuit Neurenberg ondersteunde en medegelovigen hielp bij hun vlucht.

In 1621 werd de Opper-Palts weer katholiek. De jonge keurvorst Frederik V was twee jaar daarvoor gekozen tot koning van Bohemen. Al na één winter verloor hij zijn koninkrijk, wat hem de bijnaam Winterkoning opleverde. Daarna werd hij ook uit zijn eigen vorstendom verjaagd en vluchtte hij naar Holland. Het nieuwe bewind trok de touwtjes strak aan; de protestantse voorgangers werden ontslagen. De predikant moest in 1626 met zijn gezin naar het nabijgelegen Altdorf uitwijken. Het erfdeel van zijn vrouw (een kwart hoeve te Markt Kastl) werd in beslag genomen.

Even leken de krijgskansen zich te keren. De zeventienjarige Johann Michael begaf zich in 1634 naar Heidelberg om daar te gaan studeren, maar moest al na korte tijd voor het oorlogsgeweld vluchten. Slechts met moeite kon hij Bremen bereiken. De details zijn te lezen in een aanbevelingsbrief die de diplomaat Johann Joachim von Rusdorf, hoofd van de vorstelijke regering in ballingschap, in 1637 schreef. De brief was gericht aan diens oude strijdmakker Hendrik Alting, hoogleraar theologie in Groningen, aan wie hij vroeg zich over de student te ontfermen. De diplomaat had eerder Johann Michaels oudere broer als secretaris in dienst genomen. Rusdorfs familie stamde overigens uit de omgeving van Passau en het familieverhaal over een verloren stamgoed lijkt vooral op hem te slaan. De broer Johann Caspar Knöttner volgde zijn werkgever op diplomatieke reizen tot deze zich eind 1637 in Den Haag vestigde, in de nabijheid van het keurvorstelijke hof.

Johann Michael kwam goed terecht in Groningen. Hij huwde een dochter van stadspredikant Cornelius Hillenius, voorman der contraremonstranten, en kreeg dankzij zijn hoogleraar een aanstelling in Oostfriesland. Hoewel de details (afgezien van een albuminscriptie) ontbreken, is het waarschijnlijk dat hij deel uitmaakte van een kring van jonge Duitse theologen die – in het voetspoor van Comenius en Duraeus – in de ban raakten van chiliasme, irenisme en mystiek. De zoons in Oostfriesland kozen voor de ruimhartige verbondstheologie van Coccejus en pas in de volgende generatie gaven de kleinzoons zich over aan de strenge dogmatiek van Voetius.

De broer Johann Caspar werd foerier van de Winterkoningin, daarna lakenverver in Den Haag; hij huwde een domineesdochter en had omgang met soortgelijke kringen als waarin zijn broer verkeerde, tot hij met zijn gezin in 1665 overleed aan de pest. Beide broers hadden onderling goed contact en zorgden ervoor dat hun neefje uit Coesfeld een baan kreeg als assistent van de Leidse hoogleraar Georgius Hornius, een leerling van Alting die eveneens uit de Opper-Palts stamde.

Johann Caspar Knöttner was gespecialiseerd in het verven van scharlakenrood, een kunst die slechts weinigen beheersten. Hij stond bekend als alchemist en bezat een verzameling zeldzame handschriften (“every good MS chymical”). Het geheime verfprocedé dat gebruik maakte van koningswater en tinzout was ontwikkeld door de gebroeders Kuffeler uit Keulen, schoonzoons van de bekende uitvinder Cornelis Drebbel. Zij werkten aanvankelijk in een  voorstad van Londen, maar weken vanwege de Engelse burgeroorlog uit naar Den Haag, waarna ze in 1646 het landgoed Hulkestein bij Arnhem huurden. Huis en bouwhof waren eigendom van de Arnhemse burgemeester Diederik van de Sande, die het complex gedurende twee termijnen van tien jaar aan hen overdroeg. Het herenhuis aan de Rijnstroom werd een ontmoetingspunt voor liefhebbers van experimentele wetenschap en hermetische filosofie. Het was bovendien een snelweglocatie avant la lettre: de rode lakens aan de droogrekken zorgden voor de benodigde reclame om nieuwe klanten te trekken.

Ditzelfde jaar berichtte een Duits correspondent vanuit Amsterdam dat er inmiddels een geleerde landsman van hem was die het geheim van Kuffeler had ontsluierd. Het was volgens toeschouwers beslist geen slodderwerk; het verfwerk werd allemaal zorgvuldig en netjes uitgevoerd. Daarbij moet het welhaast om Johann Caspar gaan. In augustus 1655 stond deze op het punt om naar Engeland te reizen, wellicht om daar de markt te verkennen. “Hij heeft goede scharlakenverf”, berichtte de beroemde geleerde Samuel Hartlib, “maar niet zo goed als die van Kuffeler hier in Engeland, die nooit vlekt”.

Het bedrijf op Hulkestein werd in 1658 overgenomen door een andere bekende, de alchemist en pansofist Johann Moriaen uit Neurenberg. Deze oud-predikant van Nederlandse afkomst had eerder (samen met Heber) een belangrijke rol gespeeld in het calvinistische ondersteuningswerk dat ook de familie Knöttner had geholpen. Moriaen had geld nodig nadat hij pijnlijke verliezen had geleden bij eerdere pogingen om goud uit tin te maken. Hij was op zijn beurt nauw bevriend met Hornius, die zich eveneens met dergelijke experimenten bezig hield. In vier jaar tijd kwam Moriaen er weer bovenop, waarna hij het bedrijf verkocht..

Scharlakenrood had een hoge symbolische lading. Het paste niet alleen in het modebeeld: de heldere ‘Kuffelaars couleur’ was het meest glanzende rood dat Europa ooit had gezien. Het was tevens de kleur van het einde der tijden en van de een na laatste fase in het alchemistische proces: de fase van ‘roodheid’ (rubedo), symbolisch voor het overwinnen van de tegenstelling tussen geest en materie en het ontstaan van een verlicht bewustzijn dat aan geestelijke en lichamelijke wederopstanding vooraf zou gaan. Het zoeken naar het perfecte scharlakenrood stond daarom in het licht van de speurtocht naar de steen der wijzen, die andere stoffen in goud kon laten veranderen en zijn bezitter eeuwig leven zou verschaffen.

Alchemie en gereformeerde spiritualiteit waren twee kanten van dezelfde medaille. Eindtijdverwachtingen hadden een belangrijke plek aan het hof van de Winterkoning: mystieke kringen uit heel Europa hadden hoge verwachtingen van diens huwelijk met de Engelse koningsdochter in 1613. De huwelijksband werd afgeschilderd als een heilig verbond dat grote veranderingen zou inleiden. Allen waren op zoek naar een goddelijke vonk die de wereld zou doen veranderen. Ook aan het hof in Den Haag bleef deze sfeer hangen.

Dat Johann Caspar Knöttner zich actief met alchemie heeft bezig gehouden lijdt geen twijfel.  De chemicus Johann Daniel Crafft vertelde later hoe de lakenverver hem in een Amsterdamse herberg op dure Spaanse wijn trakteerde. Toen Crafft vroeg waarom hij zo vrijgevig was geworden vertelde Knöttner hem dat hij onlangs had geleerd kwikzilver te transformeren in echte zilver. Zijn gast, die de voor het experiment benodigde zwavel zelf moest betalen, liet zich overtuigen, maar het procedé doet achteraf nog het meest denken aan een klassieke goocheltruc.

Serieuzer is het verhaal van de Haagse arts Johann Friedrich Helvetius in zijn bestseller Vitulus Aureus (‘Gouden Kalf’) uit 1667. Hierin vertelt hij hoe zijn goede vriend Johann Caspar Knöttner een zoutzuurmengsel leverde aan de Haagse zilversmid Andries Grill, waardoor deze zilver uit lood wist te produceren. De zilversmid probeerde het daarna nog weer, maar het mengel van zijn plaatsgenoot bleek onmisbaar om het experiment te laten slagen. Toen de listige Grill uiteindelijk besloot open kaart te spelen, was de ander, die verschillende mengsels in voorraad had, naar eigen zeggen al weer vergeten welke hij had meegegeven. Beide stierven kort daarna. Waar zij halverwege faalden, beweerde Helvetius alsnog te zijn geslaagd.

Omstreeks dezelfde tijd werd ook Hornius overvallen door een ‘razende melancholie’, nadat een listige goudmaker of alchemist uit Den Haag – wellicht Grill – hem vijfduizend gulden afhandig had gemaakt. In een vlaag van verstandsverbijstering liep hij naakt door de straten van Leiden, in het Latijn uitroepend: “Heb je ooit een paradijselijker mens gezien? Ik ben Adam!” De bewering dat de mens zich kon transformeren en net als Adam zonder zonde zou kunnen zijn, sprak de spiritualisten sterk aan. In de ogen van de gereformeerde orthodoxie dreigde dit te ontaarden in ketterij. Hornius had bovendien het aanzien van de universiteit geschaad. Hij kwam min of meer onder curatele te staan en werd uiteindelijk gedwongen elders een aanstelling te zoeken. Om alsnog zijn gelijk te bewijzen publiceerde hij een tekst van de middeleeuwse alchemist Jābir ibn Hayyān (Geber Arabis) met een inleiding over het waarheidsgehalte van de alchemie en een traktaat van zijn overleden oom Caspar Horn uit Neurenberg. Kort voor zijn geplande vertrek naar Heidelberg in 1670 stierf de strijdbare hoogleraar. Zijn landgenoot Johann Caspar Knöttner was toen al overleden en het neefje uit Coesfeld had zich inmiddels als verfverkoper in het stadje Leer gevestigd.

Zo blijken alchemie en spiritualiteit een verborgen laag binnen de familiegeschiedenis te zijn die door de latere orthodoxie is afgedekt. De herinneringen van de dominees hebben die van de alchemisten verdrongen. Maar ook hier is het de schijn die bedriegt. De familie bleek wel degelijk vatbaar voor het spiritualisme. Kleinzoon Samuel Knottnerus (1675-1749), predikant in het weidedorp Böhmerwold, verzette zich heftig tegen het opkomende piëtisme, maar gaf zich op zijn 57ste alsnog gewonnen. Diens zoon Johannes vertelde later hoe hij met zijn ouders en drie zusters binnen korte tijd “op het allernadrukkelijkste bekeerd” raakte, waardoor hij “uit het rijk des Satans in den dienst van Christus overgebracht wierd”. De vader liet op zijn grafsteen vermelden dat het goddelijke heil hem pas na 37 jaar uit de duivelse poel der letterwijsheid had gerukt, en dat alleen “om hier noch voor den Heer wat sielen te vergaren”. Sindsdien behoorde de familie tot de voorvechters van het bevindelijke christendom.

Zelfs het familiewapen op de grafzerk van 1684 leent zich voor alternatieve interpretaties. In Luthers bijbelvertaling is de tortelduif uit Psalm 74:19 een symbool voor het volk Israël, gevlucht uit het door oorlog verwoest land en gekweld door verlangen naar goddelijke rechtvaardigheid. Maar wat op het oog een simpele vredesduif lijkt, een irenisch teken van verzoening tussen de religies, blijkt bij nadere beschouwing tevens een hermetisch symbool. Zo staat de duif binnen de Joodse mystiek voor de onsterfelijke ziel van de mens. In de Kaballa wordt beschreven hoe de Messias tot zijn komst in een soort hemelse duiventil verblijft. Voor de hermetici die zich door de Joodse traditie liet inspireren werd het daarom een belangrijk gegeven dat Christus’ ziel was ontsnapt aan zijn stervende lichaam op Golgotha. Eerst zijn reis naar de onderwereld maakte de totale overwinning op de dood mogelijk.

Bij de alchemie ging het niet alleen om scheikundige processen. De zoektocht naar de steen der wijzen was tegelijkertijd – zoals Jung benadrukt – een metafoor voor geestelijke transformatie, inkeer en vernieuwing. En omgekeerd: religieuze modellen werden gebruikt om beter begrip te krijgen van de natuur. Deze kennis was niet voor iedereen weggelegd; hij werd, zo meende men, alleen geopenbaard aan diegene die zich voor innerlijke vernieuwing openstelde. De geheime kennis was bovendien geld waard (zoals we zien bij de lakenververij), waarom men alleen tegenover vertrouwde vrienden klare taal durfde te spreken.

Aan het begin van het alchemistische proces staat de duif voor de goddelijke inspiratie die nodig is om werk van transformatie te laten beginnen. Het bekende traktaat Rosarium Philosophorum, opgenomen in de bundel De Alchimia uit 1550, beeldt dit beginpunt uit als een neerdalende duif een roos komt brengen. Het bijschrift stelt: “Het is de Geest die levend maakt” en in een andere variant “Het is de Geest die verenigt”. Het is nu juist deze houtsnede die model staat voor verschillende prenten waarmee het heilige huwelijk tussen Frederik van de Palts en Elizabeth Stuart in 1613 werd opgeluisterd.

De duif op de grafzerk staat boven een brandende kaars die op zijn beurt rust op een schedel met twee doodsbeenderen. Zowel het embleem als het bijbehorende motto Consumor aliis serviendo (“ik word verteerd door anderen te dienen”) werden doorgaans gebruikt door artsen. Maar ook hier gaat het tegelijkertijd om een alchemistisch symbool. De eerste fase van het Grote Werk is een periode van lijden, ontbinding en versterving (nigredo of ‘zwartheid’). Dit wordt doorgaans afgebeeld als een kraai of raaf die op een schedel zit. Pas in de volgende stap maakt de geest zich los uit de verstrengeling met de dode materie. Dit is de fase van de albedo of ‘witheid’, het wegwassen of wegbranden van onzuiverheden, waardoor de essentie van de dingen zichtbaar wordt. Bij chemische processen herkende men dit aan de zouten, destillaten en extracten die zich hadden gevormd. Op deze wijze dacht men ook onedele metalen in zilver te kunnen veranderen. De alchemisten beeldden deze fasen gewoonlijk uit als een witte duif die na een langdurig gevecht de zwarte raaf overwint.

Basilius Valentinus (1613-1678) kleur

Titelblad van Basilius Valentinus, Azoth (1613), ingekleurd

Soms zien we in de afbeeldingen een opvliegende duif die zich heeft losgemaakt van de materie. Dit is niet alleen een teken dat de reinigingsfase is voltooid. Hij staat hier ook voor de vogel van Hermes (avis hermetis), de boodschapper der goden en de brenger van verborgen kennis. Uit het zogenaamde Boek van Lambspring, ontstaan rond 1500 in Noord-Duitsland, blijkt dat deze goddelijke vogel een metafoor is voor het levenspad van vrome mannen en vrouwen die steeds meer streven naar het hogere, maar nog steeds innerlijk verscheurd worden door materiële zorgen en liefde voor hun kinderen. De vogel die op haar nest zit (in dit geval een adelaar) houdt haar evenbeeld tegen die omhoog wil vliegen. Uiteindelijk dragen de beide duiven de kroon van de overwinning. Dergelijke beelden waren wijd verbreid dankzij alchemistische handboeken als die van Basilius Valentinus (Azoth, 1613), Johannes Daniel Mylius (Philosophia Reformata, 1622) en het Musaeum Hermeticum (1625), het laatste met illustraties van de bekende etser Matthäus Merian.

Nog één keer komt de duif daarna terug in iconografie van het Grote Werk van de alchemisten, nu aan het slot van de laatste fase van rubido of ‘roodheid’. De duif symboliseert hier de overwinning van alle tegenstellingen en de voltooiing van het transformatieproces. Hij heeft zich losgemaakt van materiële zorgen, maar moet alleen nog zijn vurige passie beteugelen. Hij raakt in een bloedig gevecht met zijn tegenspeler, maar wordt daardoor opnieuw getransformeerd. “Uit de duif wordt een nieuwe fenix geboren, die duisternis, stank en dood achter zich laat, om zo een nieuw leven te beginnen”, zoals Lambspring het onder woorden brengt.  De fenix die ongeschonden oprijst uit het vuur staat voor het geloof in de onsterfelijke ziel en de verwachting van een eeuwig leven. Uiteindelijk krijgt de duif als symbool van de Heilige Geest een plek tegenover het Lam Gods aan de linkerhand van de Schepper. Deze fase wordt ook wel afgebeeld als de wederstanding, wanneer de dode oprijst uit zijn graf.

De duif was in het begin van de zeventiende eeuw een belangrijk symbool voor innerlijke transformatie en het kan haast niet anders dan dat Johann Michael deze beeldentaal van nabij heeft gekend. Er bestonden in deze periode nogal wat raakvlakken tussen strenge calvinisten, puriteinen en spiritualisten. Men had nauwelijks redenen om van deze symboliek afstand te nemen. De familieoverlevering suggereert dat het familiewapen stond afgebeeld op de zegelring en daarom veel ouder was. Maar het kan evenzeer om een nieuwe symboliek gaan die de dominee met zijn broers deelde.

Op de grafzerk van Johann Michael worden alle drie fasen van innerlijke transformatie aangeduid als in een stripverhaal: het lijden en versterven door anderen te dienen (de brandende kaars op de schedel), de losmaking van het materiële (de zittende duif) en de uiteindelijke bevrijding (de opvliegende duif). In beide gevallen maakt de duif zich los van de ondergrond die hier wordt afgebeeld als een rotspunt. De rotspunt is tegelijkertijd een verwijzing naar het sterven van Christus op de berg Golgotha (Hebreeuws voor ‘schedelplaats’). Johann Michael stamde naar eigen zeggen uit Gnadenberg (een zinspeling op Golgotha), maar had zich daar noodgedwongen van los moeten maken. De olijftak kan tenslotte worden opgevat als teken van overwinning.

De alchemistische symboliek heeft mogelijk nog een onverwachte kant, omdat hij tevens naar de lakenververij van de broer Johann Caspar Knöttner lijkt te verwijzen. De duif maakt zich los van de rotspunt (knott), zoals het witte tinzout zich losmaakt uit het tinerts (knötel) van Bohemen. Het resultaat is de prachtige rode kleur die men nastreefde. Het is bovendien een afspiegeling van de verwachting dat men ooit tin in zilver of goud zou kunnen transformeren, zoals men hoopte ook de ziel te kunnen transformeren. Dit geeft een onverwachte bijklank aan de naam Knöttner(us). Het gaat zo gezien niet alleen om de bewoner van een rotspunt, ook om een soort beroepsnaam: iemand die in staat moet worden geacht met Gods hulp de materie in het hogere te veranderen.

Een geannoteerde versie van dit artikel verscheen in:  Conrad Gietman et al. (red.), Huis en habitus. Over kastelen, buitenplaatsen en notabele levensvormen. Opstellen voor prof.dr. Yme Kuiper, aangeboden bij zijn afscheid als bijzonder hoogleraar Historische Buitenplaatsen en Landgoederen aan de Rijksuniversiteit Groningen, Hilversum: Verloren, 2017, p. 212-225.

Advertenties
Geplaatst in Geschiedenis / Geschichte / History, Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

De fabel van Berend Botje

 

Tussen de spullen die ik ooit van mijn grootvader kreeg zit een stripverhaal uit het laatst van de negentiende eeuw. Het is een Duits vouwblad met vijftien plaatjes over een jongen die zijn weg in het leven nog moet vinden.

Hans Hänschen 1

De hoofdpersoon Hans Hänschen krijgt van zijn ouders de opdracht een beroep te kiezen. Maar het wordt een gebed zonder einde. Geen enkel ambacht bevalt hem: vissen is te nat, smeden te heet, graan malen te stoffig. Als boerenknecht moet hij te hard werken, als slagersknecht te hard rennen achter de varkens aan en een bestaan als kleermaker is te saai. Als soldaat belandt hij wegens gebrek aan discipline in de gevangenis en tenslotte is er nog maar één mogelijkheid:

Hans Hänschen war überall durchgebrannt,
Er wies sein Lebensglück von der Hand!
Statt Arbeit gefiehl ihm das Nichtsthun eher:
Drumm wurde er schliesslich ein Eckensteher.

Het is een bekend thema uit de Duitse literatuur. De Berliner Eckensteher waren komische, maar ook meelijwekkend karakters: verzopen dagloners met een speciale vergunning om hun diensten op een vaste straathoek aan te mogen bieden. Het thema komt uit de traditie van het bekende sprookje van Der dumme Hans, die op zoek naar zijn levensgeluk de ene domme streek na de andere uithaalt. Het sprookje is vooral bekend als vertelling van Wilhelm Busch uit 1910.

Hans Hänschen 2 a

Hierbij sluit weer een populair gedicht Hänschen will in Tischler werden van de kinderboekenschrijver Rudolf Löwenstein aan. Dit moralistische gedicht uit 1846, dat veelvuldig werd herdrukt, gaat over een luie leerjongen die op gezellenreis gaat. Ook deze Hans is iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken:

Hänschen hat noch viel begonnen, brachte nichts zu Ende;
Drüber ist die Zeit verschwunden, schwach sind seine Hände.
Hänschen ist nun Hans geworden, und er sitzt voll Sorgen,
Hungert, bettelt, weint und klaget, Abends und Morgen:
“Ach, warum nicht war ich Dummer in der Jugend fleißig?
Was ich immer auch beginne – dummer Hans nun heiß’ ich.
Ach, nun glaub’ ich selbst daran, daß aus mir nichts werden kann!”

Een ander voorbeeld is het bekende dialectgedicht Peter in der Fremde van Konrad Grübel uit Neurenberg, gepubliceerd uit 1805. Milder is het gedicht Hänschen klein van Franz Wiedemann uit 1860, waar de arme Hans als verloren zoon weer thuiskomt. Zijn zuster denkt dat hij een vreemde is, maar zijn moeder herkent hem aan zijn ogen. Het thema gaat terug op een spreekwoord van Maarten Luther: Was Hänschchen nicht lernt, lernt Hans nimmermehr (“Wat kleine Hans niet leert, zal grote Hans nooit meer leren”).

Russische viceadmiraal?

Ik moest aan het stripverhaal denken, toen ik me boog over de geschiedenis van Berend Botje. Ik heb het uitgewerkt op Wikipedia.

Het kinderliedje wordt op vele manieren uitgelegd en er bestaat een handvol theorieën over zijn identiteit. Het meest actueel is de gedachte dat het om de Russische viceadmiraal Lodewijk van Heiden (1773-1850) zou gaan, die in Zuidlaren is opgegroeid. Het betreft een gesubsidieerd project in het kader van de aanwijzing van de gemeente Tynaarlo tot culturele gemeente van Drenthe voor het jaar 2017. Deze herfst wordt met veel omhaal een kunstwerk uit Talinn naar Zuidlaren overgebracht dat de ‘ziel’ van de zeeheld voorstelt, terwijl hoogleraar Hans van Koningsbrugge in opdracht van het Drents Archief een biografie van de beroemde Drent heeft geschreven. “Het is best mogelijk dat Lodewijk van Heiden de echte Berend Botje was”, meent de professor, maar het definitieve bewijs ontbreekt. “We doen graag alsof Van Heiden Botje was om mensen voor hem te interesseren”, stelde de verantwoordelijke wethouder onlangs tegenover het Dagblad van het Noorden.

Het lied van Berend Botje

Wie zich over de geschiedenis van Berend Botje buigt, komt tot hele andere conclusies. De plaatjes bij de oudste Nederlandse varianten van het liedje uit 1871, 1882 en 1887 tonen een jongeman op zoek naar zijn levensgeluk, vergelijkbaar met Hans Hänschen en Peter in der Fremde, getooid met een strooien zeemanshoed, roeiboot, visnet en bootshaak.

uit: Volksdeuntjes uit de oude doos, D. Noothoven van Goor, Leiden 1871

Het liedje duikt voor het eerst in 1868 op in een boek over de folklore van Oost-Friesland. Kennelijk werd het hier gebruikt om onzekere jongemannen zonder doorzettingsvermogen aan te duiden, die op zoek naar hun levensbestemming twaalf ambachten verkenden en dertien ongelukken maakten. “Met het rijmpje wordt een jonge gelukzoeker (ein Peter in der Fremde) gekarakteriseerd, die omkeert zodra hij radeloos bij een wegsplitsing staat”, stelt de auteur Hermann Meier die leraar in Emden was.

Berend Buttje dee wul fahren
Mit sien schipke over de Baren,
De Weg was krumm,
Do ging Berend Buttje weer um.

Het liedje gold hier als een scheldrijm, waarbij iemand die in de ogen van de zanger niet deugde belachelijk werd gemaakt. Met een Butjer wordt bovendien sinds het begin van de negentiende eeuw in het Nederduits, met name in Hamburg en Bremen, een ‘onbehouwen persoon’ of ‘botterik’ aangeduid, verwant met het Groningse dialectwoord butje. Bij kinderen wordt het woord vergoelijkend voor een ‘wildebras’ gebruik.

De oudste Groningse dialectversie uit 1877, overgeleverd door Pieter Jelles Troelstra, sluit hier nauw bij aan. Ook hier gold het liedje tot ver in de twintigste eeuw als een scheldrijm. Berend keert aanvankelijk nog met hangende pootjes naar huis terug.

Berend Boddien, dei ging voaren,
Mit zien scheepien noar Zuudloaren,
De weg was liek, de weg was krom,
Doar kwam Berend Boddien weerom.

Pas in de Hollandse versie uit 1871 raakt Berend Botjen definitief het spoor bijster. Dit sluit waarschijnlijk aan bij het bekende volkslied Malbrough s’en va-t-en guerre, dat in de Nederlandse versie eindigt met “en hij kwam nooit weerom”. Dankzij de enorme oplagen van de kinderliedboeken werd deze nieuwe versie dominant. Dertig jaar later begon hij zich ook in Groningen en Drenthe door te zetten, om tenslotte gestandaardiseerd te worden in de liedbundel Oude en nieuwe Groninger liederen uit 1930.

uit: Barend Botje ging uit varen, J. Vlieger, Amsterdam 1887

Naar Amerika?

Het tweede couplet van het liedje – over het vertrek van Berend Botje naar Amerika – heeft een andere oorsprong. Het is een dansliedje, een polka, die in 1867 in Noord-Duitsland, in 1889 in Friesland en daarna ook in West-Friesland en Twente is gedocumenteerd. Het eerste en het tweede couplet zijn pas in de jaren zestig van de vorige eeuw samengevoegd tot een nieuw lied. De eerste vermelding betreft een stropop, die in de oudejaarsnacht van 1965 werd opgehangen in Zuidlaren als waarschuwing dat het beoogde standbeeld van Berend Botje nog niet was gerealiseerd. Het bijbehorende opschrift stelde: “1, 2, 3, 4, 5, 6, zeven, waar is Berend Botje gebleven?” Het lijkt er dus bijna op dat de Zuidlaarders het tweede couplet zelf hebben verzonnen. Maar het past wel heel goed in het bekende verhaal dat vele arme Groningers en Drenten na een bezoek aan de Zuidlaardermarkt niet naar hun geboortedorp terugkeerden en besloten naar Amerika te emigreren.

Het derde couplet en het slotrefrein (met afwijkende melodieën) zijn eveneens recente toevoegingen. Ze werden voor het eerst gedocumenteerd in Utrecht in 1999, maar zijn vermoedelijk omstreeks 1970 ontstaan. Het derde couplet werd verwerkt in een liedje van Trio Kloosterboer; tekstschrijver Jan Veldman hoorde het voor het eerst in Zandeweer waar zijn zus het zong. Het slotrefrein is eveneens een oud dansliedje, voor het eerst genoteerd in 1948, maar met een oudere Deense parallel.

Mogelijk waren een grammofoonplaat met kinderliedjes dan wel een radio- of televisieprogramma uit de jaren zestig verantwoordelijk voor de verspreiding van het volledige lied van drie coupletten met refrein.

Berend Botje telkens opnieuw uitgevonden

De zoektocht naar de historische Berend Botje hield intussen aan. Sommigen meenden dat het om Bommen Berend ging. Anderen herinnerden zich dat een humeurige arbeider die met zijn scheepje rond 1900 melk bij de boerderijen ophaalde en de bijnaam Berend Bootje had. De Drentse taalkundige Jan Bergsma dacht in 1901 aan een botvisser uit Oudeschans, die om aan de dienstplicht te ontkomen rond 1800 het land ontvluchtte. In Zuidlaren meende de middenstandsvereniging dat het om een dronken boertje uit Borger ging, die op zoek naar een huwelijkspartner op de Zuidlaardermarkt een blauwtje liep en op de terugweg met zijn scheepje verdronk. Dit is dan ook uitgebeeld in de vorm van het bronzen beeld van Berend Botje als een boertje op klompen en met opgerolde broekspijpen op zijn zinkende schip. Het beeldje kreeg in 1967 een plek aan de Stationsweg in Zuidlaren. Inmiddels is het beschadigde beeldje verhuisd naar het molenmuseum en vervangen door een replica.

Een anonieme inwoner van Joure beweerde daarentegen in 1965 dat het om zijn overgrootvader ging: de katholieke scheepsbouwer en reder Berend Drenth (1808-1893) uit Oude Pekela die zijn wrakke schepen de zee zou hebben gestuurd om de verzekering te flessen. De volkskundigen Jan Berns en Ineke Stroucken onderschreven dit verhaal in 1993. De VVV van Zuidlaren zette daar later weer een ander verhaal tegenover: het zou gaan om de menslievende houtzaagmulder en beurtschipper Jan van Bon (1792-1874) uit Zuidlaren. De historische bewijsvoering ging in al deze gevallen mank. En ook de pogingen om de historische persoon met Amerika te verbinden, gaan eraan voorbij dat dit element pas recent aan het liedje is toegevoegd.

In Drenthe was men intussen niet blij met de gedachte dat Berend Botje “geannexeerd” werd door “welbekende Groninger kopstukken”. En dus  bedacht de toenmalige uitgever Willem Foorthuis (tegenwoordig lector Duurzaam Coöperatief Ondernemen) in 1991 een gewaagde hypothese: het zou gaan om Drenthe’s “bekendste zeeheld” oftewel “de Drentse Odysseus”: Lodewijk van Heiden, telg uit de familie Van Heiden Reinestein, die de havezate Laarwoud te Zuidlaren bewoonde. Hij is de enige Nederlandse ‘zeeheld’ afkomstig uit Drenthe. Hij bracht lange tijd door in dienst van de Russische tsaar. In 1832 keerde hij als held in Zuidlaren terug, waar hij naar verluidt rondvoer in een stoomboot die koning Willem I ter beschikking had gesteld. Maar hij kon volgens de verhalen in Zuidlaren niet aarden, ging terug naar Talinn (Estland) en kwam nooit weer terug in zijn geboorteplaats. De bijnaam Botje zou volgens hem een verkorting van Bootje zijn. De ironische toon waarmee Foorthuis zijn voorstel omkleedde, ontging zijn opdrachtgevers. Zodoende werd de mythe van Berend Botje als Drentse zeeheld steeds verder opgeblazen.

Barend Botje als luie gelukszoeker

Wie goed naar het liedje en zijn oudste geschiedenis kijkt, ziet een toch iets anders: het gaat om niets meer dan een luie gelukszoeker, een Eckensteher, een Dummer Hans of een Peter in der Fremde. De negatieve grondtoon van het liedje wordt nogmaals bevestigd door het gedichtje Barend Botje, dat in 1925 in het Rotterdamsch Nieuwsblad en de Delftsche Courant verscheen:

Barend Botje

Barend Botje hield van slapen,
Hield van geeuwen en van gapen.
Barend hield van lekker smullen,
Kon met smaak zijn maagje vullen.
Barend Botje hield van spelen,
Maar het ging hem gauw vervelen.
Telkens vroeg hij nieuwe dingen. […]
Barend Botje liet zich graag verrassen,
Maar… vergat goed op te passen.
Barend Botje, zul je merken,
Hield van véél, maar… niet van werken!
Barend Botje is bekend
Als een kleine luie vent!

Op zich boeiend genoeg. Maar voor de bouwers van luchtkastelen misschien toch wat teleurstellend.

Geplaatst in Geschiedenis / Geschichte / History, Uncategorized | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Oldambt gaat naar de filistijnen. Of: kan het nog donkerder dan de Nacht van Winschoten? Ja!

bier-proost-696x463Ach, dit bericht was mij nog ontgaan. “De gemeente Oldambt heeft geen rekenkamerfunctie”. En Ger Klein, lijsttrekker van de nieuwe partij Gemeentebelangen waarschuwt dat de gemeente daarmee tegen de wet handelt.

Waarom verbaast mij dat nu niet? Ger Klein heeft zeker gelijk, maar het is de vraag wie daar in Winschoten van wakker ligt. De politiek in elk geval niet.

Het was me al opgevallen dat er nauwelijks notulen online staan en dat de website is afgeschermd voor zoekmachines.

Over integriteitsbeleid zullen we het maar helemaal niet hebben. Je zult er op de gemeentelijke website niets over vinden. Behalve dan enkele vrome wensen.

Ambtenaren en bestuurders die worden afgeschermd. Telefonische doolhoven. Doopceel lichten voor kleinigheden. Nee heb je, ja kun je zelden krijgen.

Slecht teken. Zouden er op het gemeentehuis mensen zitten die iets te verbergen hebben? Doet mij denken aan mijn vroegere woongemeente, waar de suikeroompjes en wietboeren meeaten uit de grote ruif. Zou het circus van corrupte heren die vroeger de VIP-loge van de BV Veendam bestierden, nu hun pijlen op Winschoten hebben gericht?

De gemeente Oldambt rolt van het ene rare akkefietje in het andere. Factory Outlet Centra, vierhonderd oosterse winkeltjes willen bouwen (alsof Sinterklaas is teruggekeerd uit Myra), achter de onroerend-goed-mannetjes aanrennen. Aannemertjes paaien. Tientallen miljoenen uitgeven aan fietsbruggen en lege scheepvaartkanalen. Maar nog niet eens in staat een fatsoenlijke toegangsrotonde te ontwerpen. Laat staan realistische plannen te maken voor een stad die lijdt onder vergrijzing, braindrain, een kwijnende middenstand en dagelijkse files in the middle of nowhere. Ja, af en toe een shantykoor of bejaardenorkest laten optreden om nog wat leven in de Olm-brouwerij te houden. Aambeien in plaats van waterbeien.

Niemand ook die, bij al die interessante investeerders die in de rij staan om Winschoten over te nemen en de gemeentekas te plunderen, vraagt om een klein integriteitsonderzoekje zo nu en dan. Of om de resultaten van eerdere integriteitsonderzoekjes, die op zijn minst vraagtekens zouden kunnen oproepen. “Winschoten heeft dringend behoefte aan investeerders”, jammert de wethouder haar ambtenaren na. Maar niemand die zich publiekelijk afvraagt hoe het is afgelopen met al die nare investeringen uit het Berkenbosch-tijdperk. Wie nu de pandjesbazen zijn. Wie nu aan de touwtjes trekt. Wie nu zijn kaarten zo inzet, dat de gemeente er in een volgende fase weer in zal moeten stinken. Hoe het bijvoorbeeld kan dat Muntendammer tegelzetters vele tientallen miljoenen die ze zelf niet hebben toch willen investeren. Hoe het kan dat het ziekenhuis zijn eigen verkoop financiert. Hoe het kan dat de slager zijn eigen vlees keurt. Hoe de nog niet witgewassen wietmiljoenen her en der lijken op te borrelen.

Neem de Oude LTS. Ik woonde daar ooit en zag een mij bekend patroon. Ambtelijk gemanipuleer om het pand in handen te spelen van een investeerder zonder eigen geld. Een college van B&W dat er bijna instonk, maar een eerlijke wethouder – nu eens niet uit het ons-kent-ons-circuit – die het spel correct speelde en zich daardoor in de kaarten liet kijken. Het zou hem later bezuren.

Of neem – recenter – het versjacheren van de Toekomst via een door de NMA wegens manipulatie van veilingen veroordeelde tussenhandelaar die met zijn ‘zakenpartners’ anderhalve ton uit de failliete boedel van Simon Benus weg sluist. En Coen Meijer (ook al zo’n oude bekende) die niet fatsoenlijk biedt op de veiling, maar pas achteraf zaken doet met de tussenhandelaar en dan onmiddellijk weer met de gemeente om de tafel schuift om klaar te krijgen dat hij het alleenrecht krijgt en dat concurrenten met smoesjes worden afgeserveerd. Hoe kan het anders, als je voor tien jaar lang al het wegenonderhoud in de zak hebt gekregen en alle concurrentie hebt weggemaaid en ondertussen nog andere klusjes toegespeeld krijgt ook (zoals het herinrichten wat niet heringericht had hoeven worden) .

B&W en de ambtelijke top zijn zich uiteraard van geen kwaad bewust. Een handjevol mannetjesputters, die – zo lijkt het van buitenaf – alleen maar met zichzelf bezig zijn. Een venijnig blaffende directeur met drie trouwe viervoeters en een twitterende burgemeester. Een perfecte speeltuin voor bijna gepensioneerde onderbaasjes die lekker hun gang kunnen gaan zolang de grote bazen bezig zijn met eigen ego. Of gespeelde domheid die buitenstaanders stilletjes de kans geeft uit de gemeentelijke snoeptrommel graaien. Toneelspelers, meelopers, saboteurs, heilige boontjes, verzopen zeelieden op de grote vaart, nieuwe boeren op geroofde grond, echte infiltranten en virtuele inbrekers.

Maar je hoeft maar enkele verhalen te kennen om een voorstelling te kunnen maken hoe het glibbert en glijdt. Niet voor niets heeft Hans Polman de lier aan de wilgen gehangen toen zijn collega’s toestonden dat er (ongetwijfeld op ambtelijke advies) in zijn portefeuille werd gerommeld. Net als eerder in Reiderland en Scheemda ten gunste van de grootschalige veehouderij, neem ik aan (wijlen Ruud Hietbrink kreeg ooit het flink voor zijn kiezen toen zijn enkele ambtenaren dommetje speelden).Tja, ik kan me wel ongeveer voorstellen wie er dan aan de touwtjes trekt. Hans speelde het spel trouwens correct, hield de eer aan zichzelf, maar het college kon het niet nalaten een trap na te geven.

En niet voor niets zit er minstens één wethouder die net zo gemakkelijk van partij wisselt als van overtuiging. Benoemd door andere partijen die net zo gemakkelijk van coalitiepartner wisselen als van principes. Er zijn andere belangen in het spel dan die waarvoor men zegt te staan, denk ik dan. On(t)roerende belangen. On(t)roerend goed.

Maar het wonderlijkste vind ik de gemeenteraad. Een bedompte kamer vol mannen en vrouwen op leeftijd, allemaal gedienstig voor hun eigen dorpsbelang, dat vooral. Maar (bijna) niemand die even de vraag stelt hoe bijvoorbeeld veertig winkeltjes gerealiseerd kunnen worden voordat we aan vierhonderd gaan denken. Waar het geld vandaan komt. Wie er profiteert. En wie juist niet. Wat mij hierin vooral treft is de hoge mate van onnozelheid die in deze context op zijn minst verwijtbaar is. Loyaal aan hun eigen partijbelang, maar niet loyaal aan de burgers. (Afgezien van tranen met tuiten).

Oost-Groningen lijdt onder achterstandssituaties – maar tegenwoordig ook geestelijke achterstand. Soms bekruipt me bij zulke situaties de gedachte dat een rechtvaardige dictatuur misschien wel beter zou werken dan een democratische huls die zijn eigen spelregels niet weet te respecteren.

Mijn idee: Oldambt wordt leeggeplunderd. Financieel maar ook moreel. De meeste politieke partijen worden aan het lijntje gehouden met wat sociaal beleid en dorpscliëntèlisme. Ook dat heb ik vaker gezien.

Eén maal per jaar bloeit Winschoten. Dat heb ik gemerkt toen ik er woonde. Dat is tijdens de Nacht van Winschoten. Maar niet bij het officiële podium, waar alcohol en Hollands populair elkaar versterken. Nee, aan de achterkant, waar de jeugd die is weggetrokken uit Winschoten voor één avond is teruggekeerd om zich op een normale manier te vermaken. Daar komen geen politici. Daar ben je even bij de tijd. Maar de volgende dag ontvluchten allen weer het ontspoorde bejaardenhuis waar zakkenrollers welig tieren.

Winschoten, RIP.

Geplaatst in Politiek / Politik / Politics, Uncategorized | Tags: , , , , | 1 reactie

EarthMatters debunked

Flat Earth -  Flammarion - L'atmosphère météorologie populaire (1888) 2

In hoeverre staan de ‘alternatieve’ media open voor eerlijke discussies? In hoeverre is men bereid niet alleen kritisch naar de wereld, maar ook kritisch naar zichzelf te kijken? De feitelijke censuur bij de grootste alternatieve website van Nederland, Earth-matters.nl, doet in elk geval vermoeden dat die bereidheid in sommige gevallen vrij gering is. Ook hier geldt de moderne Facebook-norm dat de duim altijd omhoog moet blijven staan. Wie meer wil, wordt vriendelijk verzocht af te haken.

Inderdaad, ik ben aardig flauw van Arjan Bos (de frontman van Earth-matters-nl) en zijn club. Eerst wordt mijn reactievenster op Facebook zonder vooraankondiging geblokkeerd en worden mijn postings geschrapt. Een gesprek gaat hij uit de weg. In plaats daarvan komt er na twee maanden een lullig berichtje, waarin Arjan mij beschuldigt van azijnpisserij, of erger nog: van laster, gal spugen, anderen voor rotte vis uitmaken en modder gooien. ‘Iedereen mag vinden wat hij wil, kritiek is prima’, schrijft Arjan, maar als de redactie meent dat de toonzetting afbreuk doet aan het effect van de boodschap, gaat de knop op rood. Als iets bij EarthMatters je stoort, kun je er maar beter ‘niet meer komen’ en de berichten niet meer lezen. En iets anders doen waar je wel ‘blij van wordt’. Dank je wel, Arjan, ik ben benieuwd waar jij dan blij van wordt. Soms moet ik erg lachen om de ‘onthullende’ filmpjes op EarthMatters. Maar dat was geloof ik niet helemaal de bedoeling, toch? Ach, ik geloof dat dit niet echt een goede plek is om hierop te reageren. Ik moest het dan ook eerst een paar weken op mij in laten werken, want ik kon het eigenlijk niet goed geloven. Maar ik zal toch iets schrijven.

Voor wie het niet weet: Earth-Matters.nl, gevestigd in het deftige Haren (Gr.), is de grootste alternatieve mediasite van Nederland, met bijna 24.000 volgers op Facebook (méér dan bijvoorbeeld de linkse politieke partijen). Website en webwinkel zijn in 2007 ontstaan uit een initiatief dat bedoeld was om anarchistische samenzweringstheorieën – of zoals dat besmuikt heet ‘een aantal verborgen zaken’ – in de New Age wereld te verspreiden. De Stichting EarthMatters (handelsnamen Truth Matters, Meeting Matters en Green IT Dynamics) organiseert onder de naam ONE Heart tevens maandelijkse lezingen over gezondheid, spiritualiteit, duurzaamheid en ‘verborgen nieuws’.

Hier mijn reactie: ‘Je gaat zelf het gesprek waarvoor je mij hebt uitgenodigd, Arjan, uit de weg. Je doet er twee maanden over om te reageren, komt met stevige beschuldigingen (waar ik me op geen enkele manier in herken), je zet mij (en terloops ook John Werkhoven. neer als ruziezoeker en moddergooier en praat vervolgens op een lullige manier uit de hoogte zonder op enig argument in te gaan. Want de meeste van mijn reacties waren wel degelijk grondig onderbouwd. Voor mij voelt dat als onrechtvaardig en arrogant, het doet me erg denken aan de manier waarop overheidsorganen hun critici afpoeieren, maar ik zal me daar nog maar even overheen zetten. Nog steeds heb ik geen idee waar ik in jouw ogen de fout in ben gegaan. Alleen maar vermoedens. En die zal ik hier voor me houden (maar niet helemaal, zie het einde van dit stukje).

Eigenlijk schrijf je dat ik als persoon niet welkom ben (‘vooral niet meer komen’) en datmijn reacties ongewenst zijn, omdat mijn toon te kritisch zou zijn en jullie teveel werk zou kosten (dat argument hoor je ook vaak van overheden die geen kritiek kunnen velen). En je denkt ook al bij voorbaat te weten hoe ik over de dingen denk. Dit zegt – denk ik – meer over jou dan over mij. Inderdaad, doe je werk goed. Als je ‘onthullende’ filmpjes maakt, controleer dan de feiten, in plaats van er op een demagogische manier onwaarheden in te verwerken zoals je nu doet (helemaal los van het feit of iemand het met jouw doelstellingen of conclusies eens of oneens zou zijn). (Ik wil je niet van leugens beschuldigen, maar het feit dat je onwaarschijnlijke beweringen die in je straatje passen niet even controleert, zegt wel iets over waarheidsliefde.) Als je WOB-aanvragen indient, ga dan eerst eens uitzoeken hoe dat wel moet. Als je aan politiek doet, leer dan de spelregels van open discussie, in plaats van je met achterhaalde leninistische theorieën te verschansen in het eigen gelijk en medestrijders die kritiek op jouw aanpak hebben uit te maken voor ‘gecontroleerde oppositie’. En stop vooral ook te flirten met antisemieten en halve terroristen.

Mijn grootste kritiekpunt: EarthMatters plaatst zich langzamerhand buiten de spelregels van het democratische debat. Het speelt in op de diepe bezorgdheid over het lot van onze planeet die we allemaal delen, lokt de verontruste en vaak naïeve lezers met een breed scala van onderwerpen en weet aan bijna al deze onderwerpen dezelfde politieke draai te geven: we worden bedrogen door het hele politieke, economische en ideologische systeem, bijna alle politici, ondernemers en wetenschappers belazeren de zaak (tenzij hun ‘de schellen van de ogen vallen’). En we moeten ons daarom achter de alternatieve oplossingen scharen die EarthMatters ons aanbiedt. (En als het even kan ook nog de webwinkel van de eenmansfirma Orongo spekken – KVK 011500989 met de geregistreerde handelsnaam: EarthMatters, ‘Gespecialiseerde detailhandel via postorder en internet in overige non-food’). En mijn grootste zorg: de onverdraagzame, agressieve en soms zelf vijandige toon ten opzichte van alle vermeende en werkelijke tegenstanders, de hevige staat van overstuur zijn, de diepe onderbuikgevoelens waarop telkens weer wordt ingespeeld. (Daarentegen leidt een beetje kritiek op dwaalgeesten uit het New Age kamp dus al snel tot afwijzende reacties).

Shit happens, de wereld is onrechtvaardig, de machtigen streven naar macht, de rijken naar rijkdom, de ideologen naar het eigen gelijk. Daar is echt niks mis mee, wat misgaat, is de manier waarop wij daarmee omgaan. Wil je daaraan samen iets veranderen, dan zul je in de eerste plaats geduldig, verdraagzaam en vasthoudend moeten blijven. En er geloof in moeten blijven houden dat je miljoenen medestanders hebt die samen de gelijkhebbers kunnen overtuigen van hun ongelijk. Telkens weer.’

En tenslotte als aanvulling: een posting, die voor de redactie kennelijk niet door de beugel kon, ging over David Icke. Ik noemde hem – naar aanleiding van een filmpje op EarthMatters over kindermisbruik: ‘een naargeestige vampier die zich vol zuigt me de reële angsten en angstig makende fantasieën die de ronde doen in de op hol geslagen uithoeken van de “alternatieve” media. Allemaal om zelf meer aandacht te krijgen en zijn eigen ego te strelen.’ Ik sta daar nog steeds helemaal achter. Maar kennelijk ben ik met die opmerking over een grens gegaan, want Icke is een van de idolen van EarthMatters. Voor zijn boeken wordt op de site van EarthMatters veel reclame gemaakt. Voor wie het nog niet weet: Icke betoogt dat onze wereld wordt bestuurd door reptielenmensen afkomstig van een andere planeet, die af en toe mensenbloed nodig hebben om in leven te blijven. Vandaar de pedo-complotten, waarover de alternatieve media geregeld berichten. Complotten die de wereldleiders zouden proberen toe te dekken. Of Icke dit voor waarheid houdt, of dat het slechts een metafoor is voor zijn grotere verhaal over de Nieuwe Wereldorde, is niet helemaal duidelijk. Maar er nog steeds veel mensen in de ban zijn van dergelijke complottheorieën, vind ik op zijn zachts gezegd ‘zorgelijk’.

Geplaatst in New Age, Politiek / Politik / Politics, Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

De fabel van lactose- en glutenvrij eten

Tarweveld bij Hazerswoude

Sommige berichtjes zetten je aan het denken. Op één punt heeft de Belgische natuurgenezer Stef Mintiens namelijk helemaal gelijk: de voedingsmiddelenindustrie – ook de ‘alternatieve’ bedrijven – maakt schaamteloos gebruik van onze angst voor gluten en lactose (melksuiker). ‘Glutenvrije voedingsmiddelen zijn een miljardenbussiness geworden’, schreef Die Zeit onlangs, ‘Iedere maand brengen multinationale concerns nieuwe producten op de markt. Het glutenonderzoek maakt hoogtijdagen door en produceert duizenden wetenschappelijke artikelen’. In de Amerikaanse markt voor glutenvrije producten ging in 2011 maar liefst 1.3 miljard dollar om en men verwachtte een verdere stijging van ruim 10 procent per jaar.

En dat terwijl naar schatting maar 0.6 procent van de West-Europeanen last heeft van coeliaki en 5 procent van lactose-intolerantie. De meesten van ons stammen nu eenmaal af van honderd generaties akkerbouwers en zestig generaties veetelers. Kinderen die dit voedsel minder goed konden verteren, hadden een verminderde overlevingskans. In andere delen van de wereld, waar vanouds weinig koemelk werd gebruikt, is de overgevoeligheid voor lactose veel wijder verbreid.

Maar moeten we in plaats daarvan bang zijn voor tarwe en gepasteuriseerde koemelk? Dat is wat Mintiens in zijn recente blog (een voorproefje van zijn nieuwe boek) beweert. Onze tarwe zou genetisch zover afstaan van de tarwe van onze grootouders, dat maar liefst 30 procent van de mensen er last van zou hebben. En 90 procent van de mensen zou niet goed tegen koemelkeiwitten kunnen. Daarom raadt Mintiens aan ‘gezonde, volwaardige granen zoals spelt, kamut, quinoa en rogge’ te eten dan wel ‘biologische, oude, niet gemanipuleerde tarwerassen … die we gelukkig nog vinden in Duitsland, Zuid-Frankrijk en Italië’.

Laat ik voorop stellen dat voedingspatronen voor iedereen anders uitpakken. Dagelijks een paar sneden volkoren tarwebrood bevalt mij persoonlijk uitstekend, te veel melk geeft me een opgeblazen gevoel en soja bezorgt me – net als bonen – darmkrampen. Daar hoeft op zich niks mis mee te zijn. Kool, uien en koolraap zijn hartstikke gezond, maar onze voorouders wisten al heel lang dat je daar ook erg winderig van kunt worden. Als je ergens last van hebt, valt er iets te onderzoeken. Je kunt producten laten staan waar je beroerd van wordt, genoegen nemen met enig ongenoegen of zelfs de vraag stellen of je iets voelt omdat je verwacht het te voelen. En dan is er nog niks mis.

Maar Mintiens, een voormalige tandarts die zich op homeopathie en acupunctuur heeft toegelegd, beweert iets anders: grote groepen mensen zouden last hebben van tarwe- of koemelkintolerantie. En daarom kunnen ze maar beter deze producten vermijden. De vraag is natuurlijk voor mij of zijn argumentatie klopt.

De medische literatuur onderschrijft zijn beweringen in elk geval niet. In de VS lijdt ongeveer 0.4 procent van de kinderen en 0.5 pct van de volwassenen aan tarweallergie. En de allergie voor koemelkeiwitten treft ongeveer 2 tot 3 procent van de kinderen in de Westerse wereld. Beide allergievormen verdwijnen vaak als de kinderen opgroeien. Overgevoeligheid voor gluten – anders dan tarwegluten – is daarentegen mogelijk veel wijder verspreid dan we tot dusverre dachten. Het treft – zo meent men nu – ongeveer 5 tot 6 procent van de bevolking. En voor deze mensen vormen andere granen (of bijvoorbeeld geitenmelk) meestal geen alternatief.

Tarwe en spelt

Van koemelk heb ik minder verstand. Wel een beetje van granen. Als zoon van een tarweboer die tot de kenners van zijn vak behoorde, weet ik aardig hoe het er in de moderne landbouw toegaat. De hedendaagse tarwe is een plant die oorspronkelijk in de natuur niet als zodanig voorkwam. Er zijn grofweg drie soorten tarwe. De (tweerijïge) eenkoorn stamt direct van wilde grassen af. De (vierrijïge) emmertarwe is zo’n 15.000 jaar geleden ontstaan door een spontane kruising (hybridisatie) van eenkoorn met een andere grassoort. Beide tarwesoorten werden zo’n vijfduizend jaar later door de eerste landbouwers in het Midden Oosten gezaaid en geoogst. Uit de emmertarwe ontwikkelde zich de harde tarwe (durum- of macaronitarwe), die relatief veel eiwit bevat en vanouds in het Midden Oosten en rond de Middelandse Zee wordt verbouwd. Nauw verwant hieraan is de khorasantarwe, die tegenwoordig door Amerikaanse boeren onder de merknaam kamut® op de markt wordt gebracht. Door volgende kruisingen ontstonden de zesrijïge tarwesoorten, die meer gluten bevatten en zich daardoor beter voor het broodbakken lenen – waarschijnlijk eerst spelt, daarna de gewone tarwe. De oudste tarwe die voldoende gluten bevatte om brood te bakken, is gevonden in Griekenland en dateert van ongeveer 1350 v.Chr.

In de loop der eeuwen ontstonden duizenden regionale varianten en werden de aren en de korrels steeds zwaarder, zonder dat men hier bewust naar streefde. Dat veranderde rond 1870, toen boeren door bewuste selectie van zaaizaad nieuwe, productievere graanrassen ontwikkelden. De genetische diversiteit binnen de gezaaide gewassen nam daardoor af, maar doordat partijen zaaizaad over de hele wereld werd versleept, nam de diversiteit aan beschikbare variëteiten op den duur weer toe. De opbrengsten stegen met sprongen: in Nederland van 2500 tot 3000 kg per ha in 1920, 3500 tot 4000 kg in 1950 tot 8 à 9000 kg rond de eeuwwisseling. Daarvoor waren vooral de moderne landbouwtechnieken verantwoordelijk: mechanische grondbewerking, gebruik van natuurlijke meststoffen, kunstmest, herbiciden, pesticiden, fungiciden en groeiremmers. De tarwe zelf veranderde niet wezenlijk. Dit verhaal geldt in principe voor alle tarwesoorten, ook voor spelt en voor de macaronitarwe die in Zuid-Europa wordt geteeld. Bij spelt zijn de opbrengsten beduidend lager (6-7000 kg), maar de prijs is navenant hoger. Het gewas neemt bovendien genoegen met armere bodems.

Boeren en zaadfirma’s bleven bezig de opbrengsten te verbeteren, zonder dat er sprake was van enige vorm van genetische manipulatie, zoals William Davis ten onrechte in zijn boek Wheat Belly beweert (zie de stevige kritiek van de voedingsdeskundige Julie Jones; en hier nog een andere recensie). Ook in de VS is het nog steeds niet toegestaan GMO-tarwe te verhandelen, al groeit de politieke druk om dit wel te doen. Recentelijk was er nog een rel in Montana vanwege ontsnapte planten uit proefvelden.

Wat wel is veranderd, is ons dieet. Tarwe was in Nederland en België (afgezien van het Zuidwesten en de grote steden) een luxeproduct. Tot omstreeks 1950 aten de mensen voornamelijk aardappelen, gegaard roggebrood, havermout en boekweit. De bekende volkskundige J.J. Voskuil (van Het Bureau) heeft daarover ooit een prachtig artikel geschreven. Dat het dieet van de Wheat belly lijkt te werken, is volgens mij vooral een gevolg van de reductie in calorieën die hiermee gepaard gaat. We hebben het gewoon te goed.

En wat ook is veranderd, is de toegenomen macht van de grote voedselconcerns. Mintiens duidt daarop als hij probeert uit te leggen waarom moderne tarwe minder gezond zou zijn dan de tarwe die een halve eeuw geleden werd gegeten.

Ik ga het probleem van de tarwe heel sterk vereenvoudigd uitleggen: vroeger zaaide de boer zijn tarwe en hield bij de volgende oogst pakweg 5% aan de kant als zaaigoed voor het volgende jaar. In de loop van de eeuwen werden door kruising en selectie “betere” variëteiten bekomen. Zaaigoedfabrikanten vinden het niet zo leuk dat boeren op die manier zelfbedruipend zijn en verkopen liefst zoveel mogelijk zaaigoed, elk jaar opnieuw. Als je twee “soorten” met mekaar kruist, neem bijvoorbeeld een paard en een ezel , dan zijn de “nakomelingen” onvruchtbaar (een muildier of een muilezel). Als je Tarwe dus kruist met een grassoort, krijg je hetzelfde resultaat: onvruchtbare korenaren.

Inderdaad is het probleem bij de ontwikkeling van nieuwe tarwerassen dat de plant zelfbestuivend is, zodat je heel moeilijk systematisch stuifmeel van de ene variëteit naar de bloeiende planten van een andere variëteit kunt overbrengen. Daarom was zaadselectie vroeger een moeizaam proces. Om die reden hebben de grote concerns hybridisatiestoffen uitgevonden, waardoor de vrouwelijke plant tijdelijk geen stuifmeel produceert. Je kunt dan een hele partij zaaizaad in één keer bestuiven, zonder jarenlange selectie. De firma Hybrinova (in 1998 opgekocht door DuPont) ontwikkelde hiervoor in 1993 het middel Croisor®, dat vooral in Europa wordt gebruikt; Monsanto ontwikkelde het middel Genesis.

Maar in de volgende generatie wordt de bestuiving weer gewoon aan de natuur overgelaten. Er is dus geen sprake van onvruchtbare korenaren! En de belangrijkste genetische eigenschappen van de tarwe blijven onveranderd, want de kruising vindt plaats binnen dezelfde ondersoort. De schrijver zit er op dit punt volledig naast.

Wat evenmin klopt, is Mintiens’ bewering dat dit hybride zaad op grote schaal in ons tarwebrood zou worden verwerkt. Hybride tarwesoorten worden tot dusverre vrijwel alleen in Frankrijk geteeld. Daar komt inderdaad een groot deel van ons broodgraan vandaan. Maar het ging in 2012 om 210.000 ha, niet meer dan zo’n 4 procent van de tarwe die in Frankrijk werd geproduceerd. Buiten Frankrijk ging het nog eens om 40.000 ha. Daarmee valt de belangrijkste onderbouwing voor zijn stellingen weg.

Een belangrijk probleem is overigens wel dat deze nieuwe eigenschappen worden geclaimd door de grote fabrikanten en dat de boeren voortaan het zaadgoed verplicht via hen moeten kopen. Niet het hele pakket trouwens, want kunstmest en bestrijdingsmiddelen komen (voor een groot deel) van andere leveranciers. Het patentrecht is in de meeste landen van de EU nog vrij gematigd. Maar de graangiganten proberen hun rechten steeds verder naar Amerikaans model ten kosten van de boeren uit te bouwen. Daarover vindt een felle juridische en politieke strijd plaats, ook in Nederland, onder andere in de Beleidsadviescommissie Landbouwzaaizaden van het Productschap Akkerbouw. Over dit octrooirecht publiceerden juristen van de Wageningen University in 2009 een boeiend rapport, dat ik iedereen kan aanbevelen: Veredelde zaken – De toekomst van de plantenveredeling in het licht van de ontwikkelingen in het octrooirecht en het kwekersrecht.

Blijft de vraag waarom mensen die overgevoelig zijn voor tarwe vaak wel speltbrood kunnen verdragen. En dat terwijl het om verwante soorten gaat, die beide uit de grootschalige akkerbouw komen. Er zijn aanwijzingen dat dit wel degelijk te maken kan hebben met het type gluteneiwitten in de spelt. Ook de gluten in eenkoorn schijnen bij deze mensen minder agressief te werken. Tarwegluten bevatten – zo ontdekte hoogleraar Detlev Schuppan uit Mainz – agressieve eiwitten, die op mensen die daarvoor gevoelig zijn als een pesticide werken. Die tarweallergie is bovendien niets nieuws – ook vroeger kwam dit al voor in de vorm van bakkersastma. En waarschijnlijk namen veel mensen genoegen met een dagelijke dosis buikpijn zonder dat ze wisten waar dat van kwam.

Koemelk

Hoe zit het dan met onze overgevoeligheid voor melkeiwitten? Die zou volgens Mintiens door ‘generaties lang gebruik’ van gepasteuriseerde melk inmiddels zijn ‘ingebouwd in onze erfelijkheid, want kinderen die nog nooit koemelk aten of dronken blijken er ook intolerant voor te zijn’. Helaas, dat lijkt mij medisch vrijwel onmogelijk. Het gros van de Nederlanders (en Belgen) drinkt eerst sinds een of twee generaties gepasteuriseerde melk. Gewoonlijk duurt het zeker vijf tot tien generaties – met de daarbij behorende sterftepatronen – voordat genetische eigenschappen zich in de bevolking doorzetten. Ook hier lijkt de redenering niet te kloppen, zonder dat het probleem – als dat al in die mate bestaat – afdoende verklaard is.

Naturalistische dwaling

Wat resteert, is vooral Mintiens’ diepste overtuiging dat onbewerkte producten gezonder zijn dan bewerkte producten. Ieder technologisch proces, of het nu zaadselectie of pasteurisatie is, zou ons verder afbrengen van de natuur. Het is een voorbeeld van een redenering die filosofen de naturalistische dwaling noemen – de gedachte dat iets per definitie beter zou zijn als het dichter bij de natuur staat.

Historisch gezien is deze geconstrueerde tegenstelling tussen mens en natuur het product van de negentiende-eeuwse Romantiek. De eigenwijze mens bestempelt de buitenwereld als natuur en definieert zijn eigen beheptheden als cultuur – daarbij voorbijgaand aan het feit dat hij zelf deel uitmaakt van die ‘natuur’ en dat de waarneming daarvan alleen door zijn eigen ogen kan plaatsvinden. Er bestaat geen natuur buiten de mens, en er bestaat al helemaal geen onaangetaste menselijke natuur die gemakkelijk ontdaan kan worden van het vernis der beschaving. Wij zijn allemaal cyborgs – mengvormen van lichamen en techniek, zoals de feministische filosofe Donna Harraway treffend heeft opgemerkt. ‘Terug naar de natuur’ is een mythe die ontkent hoezeer ons hele leven is ingebed in de hybride mengvormen die het moderne bestaan kenmerken. Mengvormen die ons in toenemende mate afhankelijk maken van elkaar en van de rap slinkende draagkracht van onze planeet.

Mythen en fabels helpen soms om iets duidelijk te maken. Ze kunnen ook veel maskeren. Voor mij persoonlijk is de belangrijkste reden om weinig zuivelproducten te gebruiken vooral een kwestie van sociale verantwoordelijkheid – het enorme beslag dat veeteelt doet op de natuurlijke reserves van onze planeet. Quinoa koop ik uit principe niet – de vraag van de rijke westerlingen heeft dit basisvoedsel in de landen van herkomst onbetaalbaar gemaakt. En het is waar: bij de teelt van spelt worden minder meststoffen, fungiciden en pesticiden gebruikt dan bij tarwe. Ook dat is mooi meegenomen. Maar ja, die volkorenboterhammen smaken me nog steeds uitstekend…

Geplaatst in Filosofie / Philosophie / Philosophy, Gezondheid, New Age | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

‘Niet om geld en macht, maar om waarden’

Botsende waarden? (overgenomen van http://www.pakistani.im)

‘Het nieuwe gevecht tussen oost en west gaat niet om geld of macht, maar om waarden’, stellen de initiatiefnemers van het nieuwe discussieplatform Jalta.nl in De Volkskrant van 18 september 2014.

Inderdaad. Op het eerste gezicht heel wat zinniger dan het geëmmer van Wouter Bos in dezelfde krant, die stelt dat ‘hun’ nog niet zo ver zijn als ‘wij’. Of de verzuchting van Frans Timmermans dat de halve wereld boos op ‘ons’ is, omdat onze vrije manier van leven zoveel meer te bieden zou hebben dan de hunne. Hoewel het natuurlijk óók gaat om geld en macht, om grondstoffen en voedsel.

De beide initiatiefnemers hebben intussen een flinke reputatie opgebouwd. De evangelische liberaal Joshua Livestro is de oprichter van het conservatieve blog De Dagelijkse Standaard, waar de strijdbijl dagelijks naakt op tafel ligt. En GeenStijl-publiciste Annabel Nanninga, die volgens eigen zeggen ‘geen boodschap aan gekwetsten’ heeft, hoeft ook niet over haar negatieve karma te klagen. Hier wordt ik geloof ik niet vrolijker en al helemaal niet wijzer van.

Toch nog maar eens de H.J. Schoo-rede van Frans Timmermans nagelezen. Niet altijd met instemming, soms met grote vraagtekens, maar wel met plezier. Een doordachte visie van een bevlogen politicus die de mensen centraal blijft stellen.

En Timmermans heeft gelijk: het gaat om een manier van leven, misschien niet altijd op de manier zoals hij het schetst – het begint immers altijd met inkeer en innerlijke vrijheid. Maar de compassie staat daarin centraal en de waarden die wij lichtvaardig ‘Europees’ noemen (democratie, mensenrechten, geloofsvrijheid en individuele verantwoordelijkheid), weerspiegelen de leerweg die de hele mensheid met vallen en opstaan doorloopt. Of we het nu hebben over de vijf zuilen en de tien geboden of over – wat dichter bij mij staat – de zes deugden en het achtvoudige pad.

Het gaat om een manier van leven, ingebed in diepere waarden die niet zomaar pasklaar uit de hemel komen vallen, maar die wij in verdiept contact met onszelf, met de ander en met elkaar tot ontwikkeling brengen. Iedere stem wil gehoord worden, ieder lichaam telt, ieder ziel weegt even zwaar – en de sleutel tot deze inzichten ligt in ons diepere zelf. Zo vertaal ik deze diepere waarden maar even. En als je dat realiseert, weet je ook dat gemakzuchtige kritiek op de ‘Westerse’ waarden uiteindelijk de grondslag van ieder vreedzaam samenleven, van menselijke waardigheid en innerlijke keuzevrijheid aantast.

In de nieuwe Koude Oorlog komen zulke diepere waarden gemakkelijk onder druk te staan. Het eigen gelijk gaat zwaarder tellen. De snel gekwetste ego’s vinden dankbaar onderdak in pasklare ideologieën en retorische arena’s, waarin de eigen stem alleen nog op de versterkte echo van gelijkgezinden stuit. Werkelijke belangen – conflicten om grondstoffen, voedsel, geld en macht – verhullen zich in botsende wereldbeelden, die al te gretig door partijdige veelschrijvers omarmd worden. De ellende zit ‘m niet alleen bij de Lievestro’s en hun rechtse vrienden. Ook in de ‘alternatieve’ media is men vaak zo verblind door zelfhaat en afkeer van de ‘Westerse’ waarden, dat het autoritaire wereldbeeld van de tegenstander klakkeloos wordt overgenomen – zonder diens eigenbelang daarbij nog duidelijk te kunnen zien. En dat alles is zorgelijk. Om Timmermans te citeren:

‘In de grote schatkamer van menselijke kennis – het internet – raakt goede journalistiek vermengd met slechte propaganda’.

Daar kunnen Livestro en Nanninga wat mij betreft nog een puntje aan zuigen.

Geplaatst in Boeddhisme / Buddhism, Politiek / Politik / Politics | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

‘Graag Delen: Wetenschappers genezen kanker, maar niemand heeft interesse!’

Complottenguru Kraven

Onder mijn Facebookvrienden zwerft weer eens een twijfelachtig berichtje met een giftige ondertoon rond. Een lullig bericht met een hoog propagandagehalte, dat de lezer rijp maakt voor  complottheorieën. En voor gevaarlijke vormen van zelfmedicatie…

Graag Delen: Wetenschappers genezen kanker, maar niemand heeft interesse!

Canadese onderzoekers hebben een eenvoudige remedie gevonden voor kanker, maar grote farmaceutische bedrijven zijn niet geïnteresseerd. … De methode maakt gebruik van dichlooracetaat, wat momenteel wordt gebruikt om metabole stoornissen te behandelen. Er is dus geen bezorgdheid voor bijwerkingen of over de lange termijn. Dit medicijn heeft geen patent nodig, dus iedereen kan het gebruiken op grote schaal en is goedkoop in vergelijking met de dure kankermedicijnen geproduceerd door de grote farmaceutische bedrijven.

Je leest eerst iets wat je raakt (wetenschappers genezen kanker) en je neemt dan het tweede deel (de grote firma’s hebben geen interesse) voor waarheid aan. Laat je niet in de luren leggen door fantasten als Kraven, Anton Teuben en Maurice Wasbauer! Ze fucken met je mind om hun eigen gelijk te krijgen en jou in hun politieke net te vangen.

Het is een oud bericht uit 2007 over Canadees onderzoek met muizen. De resultaten werden breed uitgemeten in de media om daarmee geld voor verder onderzoek te genereren. Dat lukte inderdaad. Het onderzoek werd in 2010 afgerond met een wat vage conclusie – namelijk dat het middel in sommige gevallen werkzaam zou kunnen zijn. Vijf mensen met hersenkanker werden behandeld, één overleed, de overige vier leefden nog aan het einde van het onderzoek. The New Scientist, die enthousiast over het oorspronkelijke onderzoek berichtte, heeft dan ook in 2011 gewaarschuwd voor ongegrond optimisme.

Het grootste probleem: het wondermiddel dichloorazijnzuur (DCA) is weliswaar goedkoop, maar ook giftig en kankerverwekkend! Artsen waarschuwen voor het gevaar van leverfalen als mensen dit op eigen houtje gaan proberen.

Tuurlijk klopt het dat grote firma’s nauwelijks investeren in onderzoek dat weinig winst belooft. Ik ben allesbehalve een kankerdeskundige, maar het zou goed kunnen dat hier een goed middel is gevonden voor bepaalde soorten kanker. Maar let wel: kanker is niet meer dan een verzamelnaam voor extreme celgroei. Daarvan zijn er maar liefst honderd varianten met hele verschillende oorzaken en hele verschillende behandelmethoden.

Zolang we kanker beschouwen als een ziekelijke afwijking, blijven we zoeken naar oorzaken,  schuldigen en wondermiddelen. Naarmate mensen ouder worden, neemt het risico om kanker te krijgen toe. Soms is dat een aanwijsbare beroepsziekte, maar vaak is de oorzaak minder duidelijk. Kanker bestond vóór de twintigste eeuw ook, maar in veel mindere mate. Mensen gingen eerder dood aan andere, minstens zo gruwelijke ziekten. In mummies en skeletten is overigens wel prostaatkanker en beenmergkanker vastgesteld.

Sinds de jaren zeventig wijten we het groeiende kankerrisico aan de toename van ‘vrije radicalen’ bij het ouder worden. Kanker als een soort ouderdomswrat. Heel wat alternatieve behandelingen knopen hierbij aan. De handel in voedingssupplementen (ook via de ‘alternatieve’ media) verdient miljoenen aan onze doodsangst. Gojibessen zijn een mooi voorbeeld, zorgvuldig in de markt gezet door handige verkoopconcerns, maar vaak volgepompt met het gif dat de Chinese boeren onder hun heesters spuiten.

Op dezelfde manier gaan we er ook van uit dat blootstelling aan chemische (en natuurlijke!) gifstoffen het kankerrisico vergroot. Hier is het de handel onbespoten groente en fruit, die profiteert van onze angst. Veel mensen kopen biologische producten in eerste instantie niet omdat ze beter zouden zijn voor de natuur en de toekomst van onze planeet (wat niet vanzelfsprekend is), maar in verband met hun eigen gezondheid.

Groot is dan ook de paniek als mensen ondanks hun gezonde leefstijl toch nog kanker krijgen. En het ligt dan ook voor de hand om ergens een schuldige te gaan zoeken, bij voorkeur in de ziekmakende maatschappij of bij de tekortschietende medische wetenschap. Alsof iedere ziekte niet bij jezelf begint. En alsof ziekte, veroudering en dood niet helemaal bij het leven horen. Of zoals Boeddha zei: het zijn de enige zekerheden die we hebben.

De vraag blijft of kanker is toegenomen omdat we gemiddeld zoveel ouder worden of omdat we vaker worden blootgesteld aan chemische (en natuurlijke) gifstoffen. De Canadese benadering kiest als ik het goed begrijp een derde mogelijkheid – door aan te knopen bij onze veranderde voedingsgewoonten en leefstijl.

In een recent artikel wordt dan ook gesteld dat kanker een heel normaal lichaamsproces is – een normale verdedigingsreactie van het lichaam op gewijzigde omstandigheden. Behandeling zou dan ook niet het tumor moeten aanvallen, maar aanknopen bij de verstoorde afbraak van suikers (glycolyse) in de cellen. Nieuw methoden – zoals een gericht diëet –  lijken veelbelovend te zijn. Maar die staan nog maar aan het begin.

Wat mij intussen het meest stoort bij de complotdenkers is niet de valse hoop die zij rondstrooien. Of de gevaarlijke suggesties die zij doen (dokter Kraven schrijft letterlijk: ‘er is dus geen bezorgdheid voor bijwerkingen’). Het is eerder het narcisme dat zij propageren, alsof de wereld om henzelf draait. En alsof de wereld ook om jou draait. Alsof je anderen altijd de schuld kunt geven van al het naars wat jou zelf kan overkomen. Ze nemen je bij de hand en brengen je naar een wonderlijke wereld van schurken die het op jou gemunt hebben, en helden die jou met hun hoopvolle boodschap gaan redden. En die boodschap is een politieke boodschap, een antidemocratische ideologie waarin de uitersten van links en rechts – gewelddadig anarchisme, antisemitisme en christenfundamentalisme – elkaar raken, maar waarachter de contouren van de nieuwe Koude Oorlogspropaganda zichtbaar worden.

Grow up! Shit happens! Het rad van avontuur dat leven heet, kan heel gemakkelijk vandaag of morgen ook bij jou stoppen. Daar is niks mis mee. Het gaat er maar om hoe je er zelf mee omgaat. ‘Sterven doe je iedere dag’, schrijft de zenboeddhiste Irène Kyojo Bakker.

We maken allemaal deel uit van die ene wereldsamenleving, alles hangt met alles samen, of we het nu leuk vinden of niet. Big Pharma bestaat niet, we worden niet met opzet ziek gehouden. Er zijn wel duizenden winstbeluste medicijnenfirma’s die proberen politieke invloed uit te oefenen en ondertussen niet alleen ons, maar ook elkaar bestelen. En er zijn honderdduizenden firma’s die de planeet uitputten en ons ongezond maken, omdat dat de goedkoopste oplossing is, sommige klein en naïef, andere heel groot en doortrapt. Dat is kapitalisme. En daar is allemaal niks mis mee, zolang je dat maar blijft realiseren. En er zijn tienduizenden idealisten – ook medici – die het goed met de mensheid voor hebben, die iedere dag hun werk blijven doen, proberen te voorkomen dat het grote geld regeert en op hun manier hun stem blijven laten horen.

De vraag is dan waar jij staat. Aan de zijlijn, waar je ongestoord naar het Grote Complot kunt kijken en je opsluiten in de vermeende veiligheid van alternatief koopgedrag en kleinschalige fantasieën. Of in het speelveld, waar waarheid, macht en geld constant om voorrang strijden, maar waar jij telkens weer met anderen de keuzes kunt maken.

Geplaatst in Gezondheid, New Age, Politiek / Politik / Politics | Tags: , , , , , , | 7 reacties