Over anderhalve meter en rode stoplichten: welkom in de wereld van Klaas

Groningers in OpstandMijn vriend Klaas rijdt geregeld door rood licht. Waarom niet, zegt hij uitdagend, er kwam toch niks aan?

Klaas houdt niet van regels. Als het aan hem lag, zou hij de Wegenverkeerswet het liefst afschaffen. Volgens hem zijn de verkeersregels strijdig met de grondwet. Want ze ontnemen ons het recht om zelf te bepalen of we willen stoppen of doorrijden. We hebben de verkeerslichten helemaal niet nodig, zegt Klaas. Nu wordt onze vrijheid ingeperkt en gedragen we ons als makke schapen. Met als gevolg méér ongelukken.

Ik kan hem tot op zekere hoogte volgen. Als het voetgangerslicht op rood staat en er komt niks aan, loop ik nog wel eens door. Ik denk dat veel mensen dat doen. En dat leidt naar mijn idee zelden tot ongelukken. Zolang de auto’s niet onaangekondigd door rood licht rijden tenminste.

Maar met de auto door rood licht rijden is – geloof ik – toch wel iets anders. Voor de meesten van ons, schat ik in. Omdat we ons kunnen voorstellen wat er zou gebeuren als iedereen dat zou doen.

Nu heeft Klaas een nieuwe regel om zich tegen te verzetten: de anderhalve meter regel. Klaas houdt zich daar niet aan. Er is immers niks aan de hand, zegt hij stellig. En dat de regering deze regel in wetgeving wil vastleggen, is volgens hem strijdig met de grondwet. We hebben zulke regels helemaal niet nodig, zegt Klaas. We gedragen ons als makke schapen, waardoor we niet zien wat er werkelijk fout gaat.

Opnieuw kan ik hem tot op zekere hoogte volgen. Als er geen covid-19 in de buurt is, ben ik een stuk relaxter. Zolang ik tenminste niemand ken die te maken heeft met het virus. En vooral omdat ik weet dat andere mensen ook heel voorzichtig zijn. Als er overal feestjes zouden zijn, zou ik me heel wat minder lekker voelen. Want in anderhalve week kan mijn wereld er heel anders uitzien.

Maar Klaas vindt dat niet genoeg. Hij is een actie begonnen tegen de anderhalve meter regel. Grote stukken in de krant. “Halve dorpen maken een statement tegen het nieuwe normaal”, zo heet het. Dicht op elkaar gepakt staan ze op de foto, jonge gezonde mensen met een enkele oudere. Alles onder de vlag van boertje Popko en de Groningers in Opstand.

“Wij, als buren en vrienden, zeggen ‘nee’ tegen de ongrondwettelijke noodwet, ‘nee’ tegen de ontrechting van de burgers, ‘nee’ tegen de anderhalve meter abnormaliteit en ‘nee’ tegen de nieuwe orde. Wij zijn geen schapen, wij zijn het volk”, laat Klaas ons weten. Even in met midden latend of deze moeilijke woorden uit zijn verheven denkwereld voor alle betrokkenen even helder zijn.

Ik stel me voor hoe het zou zijn als iedereen in dit land het zo gezellig gaat krijgen. Terrassen en winkelstraten stromen vol, kerken barsten uit hun voegen en de festivals kunnen weer van start. Niet dat de buren en dorpsgenoten van Klaas daar nu zo veel aan hebben; Oost-Groningen is geen luilekkerland. Maar mocht het na twee weken alsnog misgaan, dan is er in elk geval ook voor hen genoeg plek op de ic’s.

Ik word daar niet blij van, maar dat is dan even zo. Ik denk wel dat ik in dat geval voortaan het feestgewoel zou gaan mijden. Liever terug in mijn eigen coronabubbel. En ik vermoed dat dit voor velen van ons geldt. En vooral zou ik Klaas gaan mijden, want ik kan er niet op vertrouwen dat hij nog rekening houdt met mij en met anderen die liever willen dat deze pandemie aan hen voorbij gaat.

Laat ik me leiden door angst? Nee, ik heb geen zin me te laten leiden door de overmoed van iemand die stelselmatig door rood rijdt omdat hij toevallig geen ander verkeer ziet aankomen. Want ik kan me voorstellen wat er gaat gebeuren als iedereen dat zou doen.

Natuurlijk weet ik ook dat Klaas een heel ander punt wil maken. Hij heeft het al over “makke schapen” en de “nieuwe orde”. Het zijn sleutelwoorden van een nieuwe ideologie. Het zijn woorden die verwijzen naar het idealisme van de edele strijders tegen de Nieuwe Wereldorde, die geïnspireerd door hun onzichtbare leiders op weg zijn naar het Grote Ontwaken en de nog grotere Schoonmaak. Een piepend karretje waar heel wat gefrustreerde mensen zich al te graag voor laten spannen. Een nieuw fascisme zoals kwade tongen niet geheel ten onrechte beweren. Maar of de buren en dorpsgenoten van Klaas dat zelf ook beseffen? Ik ben bang van niet.

Rij massaal door rood en er komt revolutie! Wij zijn het volk, jullie niet! De rotte appels vallen uit de bomen! In luilekkerland vliegen de gebraden duifjes in je mond! We hebben zoiets vaker gehoord. Het begint meestal met vlaggenzwaaien en het eindigt niet zelden in oorlog. Dat is mijn idee hierbij. Maar Klaas ziet hele andere vergezichten.

Ik heb de neiging met een grote boog om dit alles heen te lopen. En ik denk velen met mij. Is dat het dan wat al die lieve buren en dorpsgenoten willen bereiken, nu ze moe zijn van de anderhalve meter? Lijkt me niet.

Geplaatst in Gezondheid, New Age, Politiek / Politik / Politics, Waddengebied | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Herman Wirth (1885-1981)

Geschreven voor wikipedia, waar een volledige versie met voetnoten en links naar de oorspronkelijke teksten te vinden is. Verdere details in de artikelen over het Oera Linda-boek en het Palestinaboek (bijgewerkt 16 juni 2020).

Herman Wirth SS

Herman Felix Wirth (Utrecht, 6 mei 1885 – Kusel, 16 februari 1981), na 1945 ook Herman Wirth Roeper Bosch, was een Nederlands-Duits germanist, oudheidkundige, musicoloog en musicus. Hij was één van de wegbereiders van het Derde Rijk, maar werd al in 1938 op een zijspoor gezet. Hij werd vooral bekend vanwege zijn theorieën over de Germaanse oorsprong van het christendom en als medeoprichter van de Deutsche Ahnenerbe. Zijn werk is een belangrijke inspiratiebron voor de aanhangers van het esoterische neonazisme en voor het huidige neo-eurasianisme in Rusland (Aleksandr Doegin).

Zijn naam wordt in Nederland vooral verbonden met zijn beschouwingen over het Oera Linda Boek (Die Ura Linda Chronik, 1933), waarin hij de echtheid van dit boek verdedigt. In zijn werken over de voorgeschiedenis van de westerse beschaving kent hij het Friese volk een grote plaats toe. Zijn theorie over een prehistorische Atlantisch-Noordse beschaving, Hyperborea of Thule, die aan de basis van de westerse cultuur zou liggen, is invloedrijk. Zijn verdwenen gewaande Palestinabuch speelt een rol in complottheorieën. Zijn gedachten over de Ario-Germaanse oorsprong van het christendom sluiten aan bij het neopaganisme,

Wirths boeken worden nog steeds gelezen, zowel in esoterische en ecologische kringen als door aanhangers van extreemrechts. Zijn werk is een belangrijke inspiratiebron voor de aanhangers van het esoterische neonazisme en voor het neo-eurazianisme in de Russische Federatie. Zijn geopolitieke theorieën worden vooral door Russische wetenschappers bestudeerd. Binnen het feminisme maakte hij naam door zijn pleidooi voor het matriarchaat.

Betekenis

Wirths studies zijn een schoolvoorbeeld van pseudowetenschap. Zijn theorieën zijn speculatief, racistisch en antisemitisch, maar ze vonden veel weerklank bij het publiek. Vakonderzoekers beschuldigden hem niet ten onrechte van fantasterij, dilettantisme en eclecticisme. Hij voegde heterogene gegevens samen tot één systeem op grond van uiterlijke overeenkomsten of analogieën, zonder veel rekening te houden met de context of met alternatieve interpretaties.

Centraal in het werk van Wirth staat de bestudering van schrifttekens en symbolen (Schrift- und Sinnbildforschung), waarvan hij meende dat de diepere betekenis in het onderbewuste van de bevolking is opgeslagen en door de eeuwen heen gelijk is gebleven. Deze methode noemde hij paleo-epigrafie. Vanwege de centrale rol van die betekenisvolle symbolen of ideogrammen hierin spelen, kunnen we ook spreken over ideografisch onderzoek. De Australische historicus Bernard Mees stelt in zijn boek The Science of the Swastika (2006) dat Wirth de grondlegger was van deze ideologisch gekleurde tak van wetenschap, die de leiders van het Derde Rijk in staat stelde politieke sentimenten met behulp van historische beladen symbolen te mobiliseren. Wirths aanpak leidde tot het ontstaan van een zelfstandig vakgebied dat na 1945 weer werd afgebouwd. Ook in Nederland genoot zijn werk een zekere vermaardheid. Binnen het naziregime was Wirths positie echter marginaal; dwarse geesten als hij werden toen de oorlog dichterbij kwam buiten spel gezet, omdat hun afwijkende ideeën de nationale eenheid onder druk zetten.

Na de Tweede Wereldoorlog belandde deze tak van onderzoek in de taboesfeer. De volkskundige Gottfried Korff speekt in dit verband over de naoorlogse angst voor symboliek. Er was sprake van een blinde vlek en zelfs van een zekere vijandigheid ten opzichte van het onderwerp, waardoor men de rol die symbolen in sociale en politieke processen spelen uit het oog verloor. Het gold als ongepast naar het werk van Wirth en zijn medestanders te verwijzen. Speculatieve benaderingen die voortbouwden op zijn aanzetten kregen daardoor vrij spel.

Volgens de Moldavische antropoloog Leonid Mosionjik waren Wirths wereldvreemde ideeën bijzonder geschikt om het ideologische vacuum te vullen dat in Rusland ontstond na de teloorgang van communisme, liberalisme en democratie. In redelijke discussie over zijn stellingen zijn de aanhangers van Wirths leer volgens hem nauwelijks geïnteresseerd. Niet alleen Wirths geopolitieke opvattingen en symbolenleer, ook zijn esoterische aanpak en antisemitisme sluiten aan bij het traditionalisme dat de voorstanders een Euraziatische machtspolitiek bepleiten.

Levensloop

Huussen - Wirth (2018)
Oud-hoogleraar Arend Huussen schreef in 2018 een nieuw boek over Herman Wirths leven tot zijn vertrek naar Marburg in 1924

Jeugd en studie

Herman Wirth was de zoon van Dr. Phil. Ludwig Wirth (1847-1925), een in Leipzig gepromoveerde germanist die als privaatdocent verbonden was aan de Universiteit Utrecht en een tijdlang als leraar aan het Stedelijk Gymnasium; hij stamde uit het Musikantenland in Rijnland-Palts, waar veel rondreizende speellieden vandaan kwamen. Zijn moeder Sophia Gijsberta Roeper Bosch (1851-1891) kwam uit een streng-calvinistisch milieu in Utrecht; twee van haar zwagers waren predikant. Zelf beweerde hij dat hij gedeeltelijk van Friese afkomst was en voegde haar achternaam na 1945 toe aan de zijne. Zijn grootvader stamt echter uit Groningen, diens voorgeslacht kwam uit Amsterdam.Kort na zijn zesde verjaardag overleed zijn moeder; de kinderen werden een tijdlang ondergebracht bij de strenggelovige grootouders.

Samen met zijn broer Peter Hermann bezocht hij het gymnasium te Utrecht en Kampen. Hij studeerde Nederlandse taalkunde, germanistiek, geschiedenis en muziekwetenschap in Utrecht, werkte een jaar als leraar in Doesburg, niet ver van Dieren, waar zijn zuster en haar man een apotheek hadden. Hij voltooide daarna zijn studie in Leipzig bij de musicoloog Hugo Riemann.

Nederlander in Berlijn

Wirth werd in 1909 lector aan de Friedrich-Wilhelm-Universität te Berlijn, waar hij tot 1919 Nederlandse taal- en letterkunde doceerde.  Sinds 1910 organiseerde hij met sponsorgelden jaarlijkse ‘Nederlandse Historische Concerten’. Hij promoveerde maart 1911 bij de bekende volkskundigen John Meier en Eduard Hoffmann-Krayer te Bazel met een proefschrift over de teloorgang van het Nederlandse volkslied. In dit proefschrift hekelt hij het gebrek aan heroïek in de Nederlandse liedcultuur, waarvoor hij de schuld gaf aan het calvinisme, de rijke burgerij en de stadscultuur in het algemeen.

Op het Nationaal Muziekpedagogisch Congres te Amsterdam, juni 1912, en vervolgens in het pamflet Nationaal-Nederlandsche muziekpolitiek zette hij zijn opvattingen nogmaals scherp neer, maar nu voor een Nederlands publiek. Het calvinisme had zijns inziens tot een “verkrachtiging van het gevoelsleven” geleid, waardoor het Germaanse oergevoel doorhet “stuitend semitisme” van de Joodse psalmen was vervangen. Maar ook de moderne kunst kon hem niet bekoren. Het zou volgens hem niet lang meer duren eer dat de “gezonde en behoudende elementen des volks […] die gehele voze rommel met een […] gebaar van overweldigende afkeer zullen wegvagen”. Dat alles leidde tot vinnige debatten. Zijn Nederlandse lezers constateerden vooral dogmatisme, fanatisme en eenzijdigheid; in Duitsland werden zijn bijdragen eerder met welwillendheid ontvangen.

In Berlijn raakte Wirth − samen met zijn verloofde – in de ban van de reformbeweging, een conservatief-nationalistische stroming die terug wilde naar een meer natuurlijk leven. Ook voelde hij zich aangetrokken tot de ariosofie, een geloofsrichting die op zoek was naar de Germaanse wortels van de religie. De Nederlandse wereld was hem te eng geworden, zijn dadendrang was groter dan zijn studiezin: “Ik was dichter en toneelschrijver”, beweerde hij op hoge leeftijd, “wat ik schreef werd direct op de planken gezet”.  Aan moderne kunst had hij een hekel; toen hij in april 1912 een pamflet met Marinetti’s Manifest van het Futurisme in handen gedrukt kreeg, deed hij daarvan aangifte bij de politie. Hij verkreeg de Duitse nationaliteit en werd in 1913 opgeroepen in Pruisische militaire dienst, maar kreeg vooralsnog een vrijstelling.

Vlaanderen (1914-1918)

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog meldde Wirth zich als vrijwilliger aan het front, waarna hij werd benoemd tot persattaché in Gent in het door Duitsland bezette België. Hij werd belast met de censuur en had de opdracht contact te onderhouden met Vlaamse separatisten. Zo raakte hij bevriend met Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard (1870-1955), predikant te Gent, en andere leden van Jong-Vlaanderen, die hun gewest wilden losmaken van Wallonië. De enthousiaste Wirth gold voor de buitenwereld al snel als aanjager van de groep, die zich rond het door de bezettingautoriteiten opgerichte dagblad De Vlaamsche Post formeerde. Namens de legerleiding zat hij in de redactie, hij zorgde voor het geld en de snelle militaire auto’s om de krant in krijgsgevangenenkampen te verspreiden. Tegenstanders noemden hem “een aartsvijand van België”. Domela was afkomstig uit Groningen, maar een vurig bewonderaar van alles wat Fries was; hij dweepte bovendien met het Germaanse verleden. In zijn ogen vormden het Groot-Friese cultuurgebied (met inbegrip van de Vlaamse Kustvlakte), de Groot-Nederland en het oorspronkelijke woongebied der Germanen concentrische cirkels, een gedachte die we later bij Wirth terugvinden. De vriendschap duurde echter maar kort en beide mannen hebben elkaar – hoewel hun paden zich in Friesland kruisten – later niet weer gezien; kennelijk liepen hun opvattingen te ver uiteen. Wirth speelde daarna een rol in de regeringsplannen om de Universiteit van Gent te vervlaamsen. Over het algemeen wilde hij harder doorpakken en hij klaagde tegenover een collega dat er nog altijd teveel Fransgezinde joden voor de overheid werkten. Net als eerder in Berlijn organiseerde hij concerten om de bevolking enthousiast te maken voor zijn vaderlandslievende zangkunst. Het programma was overladen, het koor zong vals en er zaten geen Vlamingen in de zaal, verzuchtte een Duitse toehoorder.

In augustus 1916 werd Wirth na opzettelijk te zijn besmet met vlektyfus uit actieve dienst ontslagen en trouwde hij zijn verloofde Margarete (Constanze Hedwig Margarethe) Schmitt (1890-1978), dochter van de kunstschilder en academiedocent (Eugen) Vital Schmitt (1858-1935) te Berlijn. Het echtpaar zou twee zoons en twee dochters krijgen. Tegelijkertijd werd hij – als beloning voor zijn inzet aan het front – in december benoemd tot titulair professor, maar zonder leerstoel. Ook werd hij gedecoreerd met het IJzeren Kruis (2e klasse). Hij gaf weer colleges en in maart 1917 was hij een van de oprichters van het Duits-Vlaamse genootschap te Berlijn, dat de Duitse annexatieplannen ondersteunde. Met lichtbeelden en lezingen over Vlaanderen nam hij deel aan muzikale steunavonden voor de Duitse troepen, eerst in Berlijn en andere steden, vanaf juli ook in België, waar hij vergezeld van zijn vrouw optrad. In december 1917 was hij vermoedelijk betrokken bij de Vlaamse onafhankelijkheidsverklaring, een ontwikkeling die de Duitse legerleiding minder welgevallig was; zijn schoonvader maakte portretten van de gevolmachtigden, zijn schoonouders logeerden bij hem in Ukkel. In september van dat jaar kreeg Wirth een aanstelling tot Vlaamstalig docent aan het Koninklijk Conservatorium Brussel, met als leeropdracht de muziekgeschiedenis, tevens werd hij benoemd tot adjunct-conservator van de muziekcollectie van de Koninklijke Bibliotheek. Zijn openingsles volgde op 8 april 1918.

Nederland

Herman Wirth (1920)
Herman Wirth als lid van de Dietsche Trekvogels (1920)

Vlak voor het einde van de oorlog in november 1918 weken Wirth en zijn vrouw tijdelijk uit naar Nederland, waar ze met andere vluchtelingen een muziekgroep vormden die onder andere in de Jordaan oud-Hollandse liedjes ten gehore bracht. Ze besloten het revolutietumult in Berlijn voorlopig te ontvluchten en vestigden zich januari 1919 te Ellecom bij Dieren, daarna in een villa te Baarn, waar Wirth tijdelijk les gaf aan het nieuwe Baarnsch Lyceum. Daarnaast deed hij journalistiek werk en had hij een atelier voor technische, wetenschappelijke en kunstfotografie. Vanwege zijn muziekhistorische werk genoot hij enige bekendheid, maar hij viel tevens op door zijn pro-Duitse, pangermaanse houding en zijn antisemitisme.

Dietsche Trekvogels

In Nederland organiseerde hij weer enkele klassieke concerten en richtte hij april 1920 samen met zijn vrouw de Landbond der Dietsche Trekvogels op – een muziekgezelschap in de traditie van de Duitse jeugdmuziekbeweging en de conservatieve jeugdbonden,die kampvuurromantiek verbonden met de verheerlijking van het soldatenbestaan en de natie. Met een gilde van speellieden trok hij door het land, waarbij hijzelf de aartsluit en zijn vrouw de dubbelkorige luit bespeelde; allen waren gekleed in zeventiende-eeuwse dracht. Daarnaast verzamelde hij antieke muziekinstrumenten en replica’s daarvan (hij zou zijn collectie september 1942 in Amsterdam vanwege geldnood laten veilen).

Wirth koppelde de concerten aan propaganda-avonden voor zijn völkische variant van de Wandervogel-beweging, die aan herleving van de traditionele volkscultuur en herstel van de gemeenschapszin zou moeten bijdragen. De Trekvogels werden ondersteund vanuit conservatieve kringen, waaronder koningin Wilhelmina. De organisatie was extreem nationalistisch en gericht tegen het grotestadsleven. Als embleem diende een opwaarts vliegende zonneadelaar met (omgekeerd) hakenkruis, ariosofische symbolen die sinds de Berlijnse Kapp-putsch van maart 1920 overwegend met antisemitisme werden geassocieerd. Dat alles stond een uitnodiging om voor het koninklijk huis op te treden kennelijk niet in de weg. Andere jongerenbewegingen namen deze organisatie niet serieus. Men constateerde spottend dat Wirth:

… ons wilde laten wandelen in pakjes waarin we gedeeltelijk op een Blaricumse schilder, gedeeltelijk op een watergeus zouden lijken. We zouden weer gaan leren zingen en gewapend met dubbelkorige luiten naar heem- en gouwfeesten trekken, en niet meer ‘Bonjour’ maar ‘Heil’ tegen elkaar zeggen.

In Zwolle organiseerde Wirth mei 1922 een groot openluchtspel voor kinderen in het kader van een landelijke demonstratie van de geheelonthoudingsbeweging. Dit was ook de laatste keer dat de Dietsche Trekvogels van zich lieten horen. De gedachte sloeg in Nederland niet aan, de belangstelling voor de uitvoeringen viel tegen.

Wirth was inmiddels begonnen aan een groot onderzoek dat uiteindelijk zijn levenswerk zou worden. Hij ging zich verdiepen in vakgebieden als archeologie, volkskunde, religiewetenschappen en oudgermanistiek. In vergelijking met vakgeleerden bleef hij echter een amateur, wat hem later zou opbreken. Tevergeefs vroeg hij de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg in september 1921 om een subsidie van maar liefst 8000 gulden voor een onderzoek naar ‘De zinnebeeldige teekens in Nederland’, gezien vanuit de grotere samenhang van het Ario-Germaanse ras. In zijn schriftelijke toelichting was sprake van megalithische gedenktekens, primitieve runeninscripties en oeroude lichtrituelen, waarvan de diepere betekenis nog slechts aan ingewijden bekend was. Moderne stromingen, met name humanisme en calvinisme, hadden deze erfenis geprobeerd te vernietigen, maar bij het gewone volk bestond nog altijd “een donker instinct” dat de herinnering hoog hield. Onderdirecteur E.J. Haslinghuis en de kunsthistoricus Hofstede de Groot reageerden verbolgen. Wirths denkbeelden bestonden volgens hen uit wilde fantasieën die taal en etnische afkomst op een grote hoop gooiden en uitliepen op de verheerlijking van een “blond lichtvolk”.

Friesland

In augustus 1922 kreeg hij – inmiddels 37 jaar oud – een onbezoldigde aanstelling als assistent aan het Germanische Seminar te Marburg an der Lahn (Hessen), met als leeropdracht Nederlandse volkskunde en volksgeschiedenis, maar hij keerde eerst met studieverlof terug naar Nederland. Eind maart 1923 vond hij een tijdelijke baan in Sneek, waarna hij gedurende tien maanden als leraar Nederlands en aardrijkskunde aan het gymnasium verbonden was. Intussen deed hij onderzoek naar de plattelandscultuur. Hij doorkruiste de provincie op zijn motor, interviewde bejaarde vaklui en maakte foto’s van uilenborden, grafstenen en andere voorwerpen die hij later als lichtbeelden vertoonde. Zijn methode bestond uit het ontcijferen van oeroude symbolen die hij overal om zich heen dacht te zien. Door hun herkomst te achterhalen meende hij het oudste schrift en daarmee ook de oudste religie van de mensheid te kunnen reconstrueren. Hij noemde deze methode paleo-epigrafie: studie naar symbolische inscripties uit de vroegste menselijke geschiedenis, waarvan hij meende dat zij – in tegenstelling tot mythen – de tijd ongerept hadden doorstaan. Wat Wirth naar Friesland heeft gebracht, is niet duidelijk; zijn oudste foto-opnamen dateren uit 1911, toen hij zijn belangrijkste sponsor, de invloedrijke domineesweduwe A.W. Posthumus Meyjes-Star Numan op de Riniastate te Oudemirdum bezocht. Zijn zoektocht naar oeroude geveltekens voerde hem ook naar West-Friesland en Twenthe.

Op 2 november 1922 hield Wirth voor het Friesch Genootschap in Leeuwarden een lezing over De uileborden en andere zinnebeeldige tekens in Friesland, waarbij hij zijn theorieën en onderzoeksplannen uitvoerig uit de doeken deed. Daarbij kwam voor het eerst het Oera Linda-boek ter sprake, een toevalsvondst die zijn leven zou veranderen:

Dit boek, een oeroude overlevering, opgeschreven in de geweldige strijd van Friezen en Franken, is een waar boek, staat hoger dan het Testament en is een antwoord op het zesspakige rad (teken van God). Hoe verminkt dit boek mag worden door hen die er niets van begrijpen, al blijven er maar tien bladzijden van bestaan, dan zullen die toch nog het hoogste en waardevolste zijn, wat ooit uit het Oosten tot ons is gekomen.

Wirths bezigheden wekten niet alleen in Friesland, maar ook daarbuiten veel interesse. Het Genootschap kende hem een subsidie toe voor het maken van foto’s. Maar zijn enthousiasme voor het Oera Linda-boek lokten tevens een reactie uit van de Friese voorman ds. Geert Ailco Wumkes, die benadrukte dat het bij dit boek om een recente vervalsing ging. Wumkes, werkzaam aan dezelfde school, herinnerde zich later zijn felle kop en electrificerende verschijning, maar ook het schelden op de ‘haatleer van Jahwe’ en het verheerlijken van Wralda, de vermeende godheid van de heidense Friezen. Toch noemde de ariosoof Wirth zichzelf wel degelijk “een diep gelovig christen”. De orthodox-hervormde Wumkes was er echter van overtuigd dat pangermanisme, jodenhaat en ongeloof al in de tekst van het Oera Linda-boek zaten ingebakken. In joodse kringen reageerde men eveneens bezorgd op Wirths plannen de oud-Germaanse godencultuur in ere te herstellen. De weerstand die zijn opvattingen opriepen schijnt een van de redenen te zijn geweest dat hij vervroegd naar Duitsland terugkeerde.

Juni 1923 kondigde hij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant zijn nieuwe boek aan, dat zou aantonen dat hoe men door ‘erfherinneren’ (een term van de ariosoof Guido von List) het sluimerende geloof van Oergermanen weer tot leven zou kunnen wekken. De hoofdlijnen van zijn betoog stonden al vast, zo blijkt uit een lang interview. Wirth liet zich volledig meeslepen door zijn eigen enthousiasme. De foto’s die hij “in het gehele Noordzeegebied, van Holland tot Denemarken toe” had verzameld, bewezen volgens hem dat de symbolentaal in deze regio “een rechtlijnige continuïteit van het jonge steentijdperk tot op de huidige dag” liet zien. De geveltekens en houten grafpalen die rond de Zuiderzee en in Twenthe voor zijn camera kwamen, toonden “een zo ongelofelijke oude overlevering” dat hij iedere vorm van twijfel had laten varen.

Wirth geloofde in buitenzintuigelijke waarneming: de diepere betekenis van de door hem bestudeerde symbolen was hem grotendeels via zijn vrouw geopenbaard. Het echtpaar Wirth stond erom bekend dat ze zich geregeld vertoonden in handgemaakte tunieken naar oud-Germaanse snit. Hun samenwerking was hecht, Margarete typte ’s avonds de teksten uit die Herman had geschreven. Hij plaatste haar op een voetstuk, zij verdedigde hem door dik en dun. Hun pasgeboren dochter noemden ze Adela, naar de ‘volksmoeder’ en priesteres uit het eerste deel van het Oera Linda-boek. De jongste dochter Ilge werd later aan het bezoek getoond als een ‘zonnekind’ dat de zienerstaak van haar moeder zou voortzetten

Atlantis

Bernhard Hoetger - Lebensbaum (1931)
Bernhard Hoetger – Lebensbaum (1931)

Wirth vestigde zich in februari 1924 bij zijn gezin in Marburg, waar hij een villa aan de Kaffweg (nu: Gerichtsweg 9) had laten bouwen. Het huis kreeg de naam ‘Eresburg’, genoemd naar een mythische hoeve in de schaduw van de wereldboom Irminsul. Zijn schoonouders trokken later bij hen in; vaak had het echtpaar ook kostgangers. Wirth werd augustus 1925 lid van de nazipartij, maar bedankte het jaar daarop om zijn (deels joodse) geldschieters niet voor het hoofd te stoten. Pas vanaf 1931 sprak hij zich in zijn geschriften openlijk uit ten gunste van het nationaalsocialisme.

In 1928 publiceerde Wirth na drie jaar afzondering zijn eerste grote studie over de geschiedenis van de mensheid, waarin hij – in navolging van Ludwig Wilser, Willy Pastor en Wilhelm Schmidt – probeerde te bewijzen dat het monotheïsme de oorspronkelijke religie van de oude Germanen was, voordat dit door oosterse (lees: joodse) invloeden werd gecorrumpeerd. De titel Der Aufgang der Menschheit was een antwoord op het cultuurpessimisme\ dat doorklonk in Oswald Sprenglers Der Untergang des Abendlandes (1918-1923). Het boek was prachtig uitgegeven door Eugen Diederichs in Jena, chaotisch geschreven, maar overtuigend door het vele materiaal waarin de lezer werd ondergedompeld. Diederichs noemde het boek de “bekroning en rechtvaardiging” van zijn publicitaire werk: het ultieme bewijs dat het licht der mensheid ook in de toekomst uit het noorden diende te komen.

Het christendom zou, zo luidde Wirths redenering, in de vroegste steentijd zijn ontstaan in het verre noordwesten van Europa. Daar lag het continent Atlantis, het legendarische Thule dat werd bewoond door beschaafde zeevolken van het Atlantisch-Noordse ras, oftewel de eerste Ariërs, die nog volledig in harmonie met de seizoenen leefden. Al het goede van de mensheid kwam bij hen vandaan, van wetten en religie tot eerste lineaire schrift ter wereld: het futhark-runenalfabet. Ze aanbaden de moedergodin als spil van de goddelijke drieëenheid en bouwden megalitische monumenten. Toen dit continent 10.000 jaar geleden door verschuivingen van de continenten onbewoonbaar werd, trokken de inwoners naar het zuiden en vestigden zich in het Doggerland oftewel Polsete-Land in de Noordzee; het rotseiland Helgoland vormt hiervan een laatste restant. Wirth noemt hen de Tuatha-volkeren, zijns inziens de oudste voorouders van de Germanen (en dus ook van de Friezen). Nadat ook hun gebied in het laatste millennium voor Christus ten gevolge van een reusachtige stormvloed verdronk, verspreiden hun nakomelingen zich over het continent.

Christus stamde af van zo’n verdwaalde blanke volksstam die per schip in Palestina was beland (in lijn met wat Chamberlain eerder had betoogd). Maar het christendom raakte besmet met Oosters despotisme en bijgeloof en verloor de helende band met de oorspronkelijke moedergodin. De mensen keerden zich af van de natuur en gingen oorlogsgoden aanbidden. De vaderlijke god werd een dictator, zijn zoon een lijdzaam slachtoffer, de vrouw tot lustobject gemaakt. In de steden heerste het verval; alcohol, vlees eten en tabak deden hun verwoestende werk; de eigen cultuur dreigde ten onder te gaan. Alleen door terug te gaan naar de oorspronkelijke bronnen zou de westerse beschaving kunnen worden gered.

Occulte netwerken

Met deze denkbeelden sloot Wirth nauw aan bij bestaande ariosofische en occulte netwerken die al langer op zoek waren naar een alternatieve vorm van Christusgeloof dat zich beter met het Germaanse heldendom liet verenigen. Wirths geloofsopvatting laat zich het best beschrijven als Stirb und werde! – durf jezelf op te offeren voor het welzijn van de natie. Mede dankzij hem kreeg de Duitse Geloofsbeweging van Jakob Hauer – een nazistische en antisemitische richting binnen het Duitse protestantisme – flink de wind in de zeilen. Ook het ideaalbeeld van een verzonken Atlantis of Thule werd volop in deze kringen gepropageerd, onder andere door Karl Georg Zschaetzsch, Guido von List, Jörg Lanz von Liebenfels en Rudolf John Gorsleben.

De cosmologie van ondergang en wedergeboorte, de eeuwige strijd tussen zee en land, water en vuur paste wonderwel bij de mystieke wereldijsleer van de Oostenrijker Hanns Hörbiger, door veel tijdgenoten fanatiek verdedigd tegen de kritiek van de gevestigde wetenschap. Het symboliseerde tegelijkertijd de strijd van het heldhaftige Duitse volk tegen de maritieme staten die het land in 1919 tot een vernederend vredesverdrag hadden gedwongen. In een volgende, rijk geïllustreerde studie, Die heilige Urschrift der Menschheit, die tussen 1931 en 1936 in veertien delen verscheen, zette Wirth zijn ideeën over de symbolentaal verder uiteen. Het was zijns inziens de definitieve afrekeningen met de aanspraken van het jodendom op de erfenis van het noorden.

Het Atlantisbeeld dat Wirth ontwierp had diepgaande invloed op de populaire cultuur in het Derde Rijk. De succesvolle pseudohistorische romans van Edmund Kiss (1930-1939) waren grotendeels gebaseerd op zijn geschriften, net als de populaire sciencefictionbladen van Lok Myler (=Paul Alfred Müller)  onder de titel Sun Koh, der Erbe von Atlantis (1933-1936) en weekoplagen van 60 tot 90.000, gevolgd door het iets minder succesvolle Jan Mayen, der Herr der Atomkraft (1936-1938). De Atlantisgedachte werkte verder door in de bestseller Der Mythus des zwanzigsten Jahrhunderts (1930) van partij-ideoloog Alfred Rosenberg, die er zelf echter weinig betekenis aan toekende, verder bij de rechtsradicale publicist Heinrich Pudor, die zich op Helgoland concentreerde. De geograaf Albert Herrmann meende in 1934 een Friese Atlantiskolonie in Noord-Afrika te hebben ontdekt. Ook de metafoor van het dodenschip in Gottfried Benn’s Totenrede für Klabund (1928) is grotendeels op Wirth’s Der Aufgang der Menschheit terug te voeren.

Binnen de nazipartij bestond echter ook veel kritiek op Wirth, verwoord door partij-ideoloog Alfred Rosenberg die zijn geschriften veel te zweverig vond. Zijn gedachten over de positie van de vrouw, die teruggrepen op de moederrechtstheorie van Johann Jakob Bachofen, waren volgens Rosenberg niet heldhaftig genoeg, te pacifistisch of zelfs feministisch. Zijn verheerlijking van de Noordse godenwereld zou bovendien onnodig wantrouwen oproepen bij het conservatieve kerkvolk. Daarentegen voelden vooral vrouwen uit het rechtsnationale kamp zich door Wirths werk aangesproken; zij vormden een groot deel van zijn publiek. Het ideaalbeeld dat hij schetste vormde een belangrijk tegenwicht tegen opkomende kameraadschapsretoriek. “De vrouw is het hogere wezen” , verkondigde Wirth, alleen dankzij haar kennen we de zin van het leven. Met feminisme had dat overigens weinig te maken: zijn verheerlijking van de vrouw onderstreepte juist het bestaande onderscheid tussen de geslachten en legde de nadruk op de rol van de vrouw in de voortplanting.

Cultfiguur of charlatan?

Wirths was een charismatische persoonlijkheid – drager van legergroene reformkleding met korte broek, geheelonthouder, vegetariër, rauwkosteter en seksueel puritein, maar ook liefhebber van snelle auto’s en specialist op het gebied van de fotografie en filmtechniek. Naar verluidt was hij een van de meest gevraagde sprekers van het Duitse Rijk. Hij wist het publiek enthousiast te maken met zijn lezingen en publicaties, doorspekt met aanvallen op de gevestigde academische orde en de kerkelijke orthodoxie, maar ook op joden en marxisten. Een Zweedse geleerde karakteriseerde hem als de Adolf Hitler van de wetenschap: een tovenaar die zijn publiek met emoties op sleeptouw nam. Hij riep zijn toeschoorders op te vertrouwen op hun intuïtie: de mensheid stond volgens hem op de rand van een nieuwe dag; in het heldere licht van de oertijd zouden de misvattingen uit het nabije verleden in de nacht verzinken. Voor het publiek was hij een soort cultfiguur, de meeste collega’s beschouwden hem als charlatan.

Wirths werk werd ondersteund door de in 1928 opgerichte Herman-Wirth-Gesellschaft e.V., een vereniging met afdelingen in diverse steden. Altijd in geldnood wist hij telkens vooraanstaande personen te vinden die het ariosofisch-völkische gedachtegoed aanhingen en bereid waren zijn werk te financieren. De rijke koffiemagnaat en mecenas Ludwig Roselius (1874-1943) uit Bremen, die nauwe relaties had met de kunstenaarskolonie in Worpswede, beschouwde hem min of meer als huisgeleerde. Roselius gaf opdracht tot de bouw van het ‘Haus Atlantis’ in de Böttcherstraße in 1930/31, ontworpen door de beeldhouwer Berhard Hoetger, maar geïnspireerd door Wirth en bedoeld om hem een woon- en werkplek te geven. De gevel werd versierd met een reusachtige crucifix in de vorm van de wereldboom, geplaatst binnen een zonnerad, waarbij de gestalte van Christus werd gelijkgesteld aan de Noordse God Odin. Dit geruchtmakende kunstwerk is door geallieerde bombardementen in 1944 verloren gegaan; de rest is tien jaar later herbouwd. Bij het complex hoorden verder een bibliotheek (de Friesen-Bibliothek), een oudheidkundig museum  (met de archeologische bibliotheek van wijlen Gustaf Kossinna), een tentoonstellingsruimte en een spectaculaire vergaderzaal in de vorm van een hemelkoepel.

In Marburg probeerde Wirth intussen een universitaire lesbevoegdheid (habilitatie) te verwerven. Maar dit mislukte volledig: decaan Hermann Jacobsohn, een gerenommeerd taalkundige, oordeelde in november 1929 dat Wirths boek amateuristisch was, vol stond met onzin en zich ver beneden het niveau bevond dat van een wetenschapper mocht worden verwacht.

Jeugdbeweging

Opnieuw begon het echtpaar een groep jongeren om zich heen te verzamelen. De energieke professor werd het middelpunt van een handvol idealistische jongemannen die zijn opvattingen en levensstijl deelden. Gangmaker was zijn assistent Werner Haverbeck (1909-1999), die vanaf 1930 langere perioden bij hen inwoonde en te zijner tijd bij Wirth wilde promoveren. De mannen bleven een leven lang bevriend. Haverbeck was lid van de SA en behoorde tot de top van de Hitlerjeugd en de Nationaalsocialistische Studentenbond, waar hij Wirths ideeën begon uit te dragen. Hij vond de nazi-organisaties te militaristisch en pleitte voor een verinnerlijking van de völkische waarden met veel muziek, toneel en ritueel. Februari 1932 hield Wirth in Berlijn een inspirerende toespraak aan een groep jongeren uit de jeugdbonden met als motto de terugkeer naar het Noorden (Aufbruch des Nordens) onder het teken van het hakenkruis.

Haverbecks eigenmachtige optreden leidde tot zijn verwijdering uit de Hitlerjeugd, waarna hij in december 1932 een eigen jeugdorganisatie vormde, de Arbeitsgemeinschaft Deutsche Jugend rund um Herman Wirth. De organisatie bestond maar kort; de daadkrachtige Haverbeck trad toe tot de staf van Rudolf Heß en kreeg in juni 1933 als eerste taak het integreren van jeugdbonden en natuurbeschermingsorganisaties in de nieuwe staatsorde. Wirths droom van een levende, in oeroude tradities gewortelde jeugdbeweging leek zo alsnog werkelijkheid te worden, maar Haverbeck kreeg al snel weer andere taken. Hij was de eerste die in 1937 in het nieuwe vak Sinnbildkunde aan de Universiteit van Heidelberg zou promoveren.

Bad Doberan

Oktober 1932 vertrok Wirth naar Rostock, met in zijn kielzog maar liefst vijftien student-assistenten (waaronder zijn secretaris Wolfram Sievers, Alarich Augustin, Otto Huth, Werner Müller, de al wat oudere Joseph Plassmann en daarna ook Haverbeck). De NSDAP-deelstaatregering had hem gevraagd leiding te geven aan een nieuw onderzoeksinstituut in Bad Doberan, ondergebracht in de deftige ‘Villa Möckel’. Dit instituut zou dan weer verbonden worden met een openluchtmuseum, een volkshogeschool en een leerstoel. Wirth doopte zijn onderzoeksveld Geistesurgeschichte, dat is studie naar de oudste bronnen van het religieuze denken. Het was de eerste aanzet voor wat later de Ahnenerbe zou worden: het weer tot leven brengen van het religieuze erfgoed dat de voorouders in ons hebben nagelaten. Het echtpaar voelde zich hier helemaal op hun plaats; ook zijn schoonouders kwamen mee. Geregeld aten allen mee aan tafel, waarbij ze hem en zijn vrouw als ‘vader’ en ‘moeder’ aanspraken.

Maar het debacle van Marburg herhaalde zich. Wirth mocht dan wel de lieveling van het publiek zijn, de universiteit kon niks met hem beginnen. Zijn belezenheid kan niet verhullen dat hij geen idee heeft hoe de vork werkelijk in de steel zit, oordeelde een van de professoren. Politieke steun bleef uit: Hitler had het niet zo op met de Dunkelmänner en hun noordse religie; hij waardeerde alleen het enthousiasme dat zij voor de nazibeweging creëerden. Onverrichterzake vertrok Wirth voorjaar 1933 naar Berlijn; het instituut werd in november formeel opgeheven; de nalatenschap ging op in de Ahnenerbe. De meeste assistenten zouden daar ook terecht komen.

Berlijn 1933

HermanWirthDieUraLindaChronik

Wirth had grote verwachtingen van het Hitlerregime; hij hoopte eindelijk de erkenning te krijgen waarop hij recht meende te hebben en schreef de ene publicatie na de andere. Zijn trouwste medewerker, de antisemitische journalist Johann von Leers propageerde intussen zijn gedachtegoed via het tijdschrift Nordische Welt, terwijl ook Die SonneNordische Stimmen en Germanien eenzelfde geluid verkondigden.

Mei 1933 richtte Wirth in Berlijn de tentoonstelling Der Heilbringer in, over de oudste voorlopers van de christelijke god. De oeroude Thule-cultuur uit het hoge noorden werd hier voorgesteld als belangrijkste inspiratiebron voor de mensheid; de ondertitel “van Thule naar Galilea en weer terug” gaf aan hoe hij de werdegang van het Christusgeloof zag. Geestelijk herstel vergde een omgekeerd pad, terug naar de oorspronkelijke waarden van het hoge noorden. De suggestie was tevens dat Adolf Hitler de verlosser van het Duitse volk was. In Wirths lezingen speelden de lichtbeelden die hij onder andere in Friesland had gemaakt een belangrijke rol. Volgens Nederlandse kranten was dit “een show, die een paar maal geprolongeerd moest worden, en elke dag opnieuw volliep [met] complete schoolklassen en SA-gardes”. De tentoonstelling was daarna te zien in Bremen; de verhuizing naar Rostock en Schwerin werd wegens geldgebrek afgelast. Zijn vakgenoten bleven kritisch. Op een archeologencongres in Bremen, het eerste Nordische Thing dat in juni 1933 werd gehouden in ‘Haus Atlantis’, liep Engelse en Duitse vakgenoten boos weg toen Wirth het woord nam.

Oktober 1933 werd hij lector godsdienstwetenschappen in Berlijn, verantwoordelijk voor de opbouw van een collectie voor volksgebruiken en prehistorische religie (Volksbrauch und Urreligion), maar zonder leerstoel of lesbevoegdheid. Het was vooral een politieke benoeming. Enkele maanden later verhuisde het gezin vanuit de modieuze tuinwijk Berlijn-Eichkamp naar Michendorf bij Potsdam waar hij in opdracht van de Brandenburgse deelstaatregering een openluchtmuseum voor prehistorische religie – de Freilichtschau “Deutsches Ahnenerbe” – zou stichten. Maar ook daar bleef hij kort: via het forenzenstadje Biesenthal kwam het gezin terecht in Berlijn-Zehlendorf, waar behalve zijn schoonouders ook zijn assistent Wolfram Sievers bij hen inwoonde.

Wirth was inmiddels weer lid geworden van de NSDAP; Martin Bormann zorgde dat hij als oudgediende zijn oorspronkelijke ledennummer (nr. 20.157) terug kreeg. Twee jaar later werd hij opgenomen in de SS (nr. 258.776). Zijn teksten, waaronder het publieksboek Was heißt Deutsch? uit 1931, schaafde hij intussen bij zodat ze beter in de partijlijn pasten. Openlijk kwam hij uit voor een vorm van rassenhygiëne die onwaardige levens wilde beëindigen. Tegelijkertijd maakte hij – samen met Johann von Leers – enige tijd deel uit van de leiding van Jakob Hauers Duitse Geloofsbeweging en was hij redacteur van het verenigingsblad Deutscher Glaube. Toen het hem niet lukte hierin een prominente rol te spelen, trok hij zich terug.

Oera Linda

De publicatie van Die Ura Linda Chronik in december 1933 – opgedragen aan “mijn Germaanse moeders” en bedoeld als “Joel-geschenk voor het Duitse volk” – leidde tot een ware hype. Wirth zag in het Oera Linda-boek de oerbijbel van de Germanen, een opvatting waarin hij gesteund werd door Heinrich Himmler, de leider van de SS. In de toelichting schetst hij het ideaalbeeld van een mythisch Friesland aan de wieg van de hele westerse beschaving, raszuiver en matriarchaal, geregeerd door vrouwen, maar ondermijnd door oosterse despoten, oriëntaals-joodse cultuur en katholiek geloof. Hij plaatste zichzelf de traditie van ‘noordse bewustwording’, in gang was gezet door rassentheoretici als Arthur de Gobineau, Paul de Lagarde en Houston Chamberlain. Zijn fans waren laaiend enthousiast, maar Duitse vakgenoten reageerden geschokt. Antisemitisme was niet het probleem, wel zijn bedenkelijke omgang met wetenschappelijke kennis. Dat hij zijn critici vervolgens betitelde als een ‘opportunistische professorenclan’ van ‘jodenknechten’ deed zijn zaak evenmin goed.

Wirth had zijn hand overspeeld; op 5 mei 1934 werd hij in een openbaar debat door vier geleerden terechtgewezen. Dat gebeurde in de aula van de Berlijnse universiteit ten overstaan van 1300 toehoorders. De professoren namen hem kwalijk dat hij overgeleverde tekst niet aan een kritisch onderzoek had onderworpen alvorens die te vertalen. Men vond het bovendien ongepast dat hij geloof hechtte aan een geschrift waarin beweerd werd dat de Friezen de enige echte Germanen waren, terwijl de rest van de Duitsers er maar bekaaid van afkwamen. Wirth werd publiekelijk neergezet als fantast en amateur; openlijke steun kreeg hij alleen van zijn secundant Walther Wüst, zijn medewerkers Otto Huth en Johann von Leers en de bejaarde amateurgeleerde Wilhelm Teudt. Zijn fans reageerden geschokt en organiseerden op 23 juni een steunbijeenkomst, maar Alfred Rosenberg, die de Atlantismythe inmiddels een plaats in zijn eigen werk had gegeven, verordonneerde de pers er niet meer over te schrijven.

Zijn belangrijkste fan, Heinrich Himmler, liet zich echter niet van de wijs brengen. Hij liet het Oera Linda-boek uitvoerig bestuderen door de taalkundige Otto Maußer, verbood verdere kritiek en gelastte nog eind jaren dertig meerdere onderzoekingen op Helgoland, die pas onder druk van de naderende oorlog werden afgebroken. Vermoedelijk in juni 1934 maakte Himmler voor het eerst persoonlijk kennis met Herman Wirth tijdens een gespreksavond bij Johan en Gesine von Leers; ook rijkslandbouwminister en boerenleider Richard Walther Darré was daarbij aanwezig. Himmler kon Wirth en diens Gesellschaft für germanische Ur- und Vorgeschichtsforschung – de voortzetting van de Herman-Wirth-Gesellschaft – goed gebruiken. Het onderwerp was volop in de mode; de symboliek die Wirth aanreikte leek geknipt om de massa te kunnen mobiliseren. Maar ook de sponsorgelden die Gesine von Leers voor de vereniging wist binnen te halen, waren de SS erg welkom.

Weerklank in Friesland

In de Nederlandse pers werden de discussies over het Oera Linda-boek op de voet gevolgd. Wirth bezocht in december 1934 Leeuwarden, waar hij drie lezingen hield voor de Federaasje fan Fryske Studinteferienings. De studenten vonden het ongepast dat hij zijn lezing in het Nederlands zou houden; hij sprak daarom Duits, omdat hij naar eigen zeggen het Fries nog niet machtig was. Een handvol studenten ging mee terug naar Duitsland om bij hem in de leer te gaan, anderen werden op pad gestuurd om koekplanken te verzamelen. Het volgende voorjaar maakte hij in Berlijn de tentoonstelling ‘De Levensboom in het Germaanse volksgebruik’, waarna hij in augustus terugkeerde naar Friesland voor een studiekamp bij de Volkshogeschool Allardsoog te Bakkeveen. Hij toonde zich daarbij een warm pleitbezorger voor “de grootse zending van de nordische mens”. Ook organiseerde hij een archeologische opgraving bij de ‘Poppestien’ (kindersteen) in Burgum, waarvan hij dacht dat dit een prehistorisch heiligdom betrof. Een tweede opgraving bij Langweer werd van overheidswege verboden.

Wirths propaganda voor het ‘nieuwe heidendom’ van de Duitse Geloofsbeweging stuitte in Nederland op kritiek, zijn succes bij het grotere publiek was aanvankelijk beperkt. Wetenschappers hekelden zijn verouderde schoolboekjeskennis. “Hier zijn de lopers te vinden, die alle deuren openen”, meende oudgermanist Jan de Vries, die waarschuwde voor wilde speculatie. Eerder noemde hij Wirth al “de grootste mythograaf van de twintigste eeuw”.

Zijn opvattingen sloegen bij een deel van de NSB-aanhang juist aan, met name bij NSB-organisatieleider Franz Farwerck, journalist Nico de Haas en andere leden van Der Vaderen Erfdeel, een fanclub voor de Ahnenerbe die in 1940 werd omgedoopt tot Volksche Werkgemeenschap. Hetzelfde gebeurde in Friesland, onder andere bij de antropoloog Haring Piebenga (in 1941 enige tijd Wirths secretaris), journalist Willem Hielkema, ingenieur Jan Bartele Vries en veearts-dichter Rintsje Sybesma. De laatste, leider van het Frysk Fascisten Front, noemde Wirths Ura Linda Chronik in 1934 “een tweede bijbel”. Ook ariosofen als amateurarcheoloog Hendrik Bellen uit Assen, toneelschrijver August Heyting en de Groningse NSB-ideoloog Tjark Bontkes lieten zich door Wirths geschriften inspireren. Heyting verklaarde in 1941 dat het Oera Linda-boek volgens hem op een oeroude tekst was gebaseerd. De historicus Frans J. Los uit Castricum, die toetrad tot de SS, en de völkisch-schrijvende ingenieur Jacques Overwijn uit Dordrecht, die zich juist bij het verzet aansloot, bleven ook na de oorlog pleiten voor de ‘echtheid’ van het Oera Linda-boek.

Ahnenerbe

Wirth in Scandinavië
Herman Wirth op expeditie in Scandinavië (1935)

Berlijn

Juli 1935 richtte Himmler samen met Wirth en Darré het SS-onderzoeksbureau Deutsches Ahnenerbe: Studiengesellschaft für Geistesurgeschichte e.V. op. De vijftigjarige Wirth kreeg formeel de leiding; hij werd verantwoordelijk voor de afdeling die schriftelijk en symbolisch erfgoed bestudeerde (Pflegstätte für Schrift- und Sinnbildkunde). Gedurende korte tijd fungeerde hij als “Himmlers hofgeleerde”; zijn woord was wet, zijn plannen waren richtinggevend. Om zijn stellingen over de herkomst van het Noordse ras te kunnen onderbouwen, maakte hij in september 1935 een studiereis naar Noorwegen en Zweden, waar hij prehistorische rotstekeningen uit de Bronstijd bestudeerde. Hieraan gekoppeld was een lezing voor het extreemrechtse genootschap Samfundet Manhem te Stockholm. De filmopnamen die hij tijdens deze reis maakte, vormde de aanleiding voor een grotere expeditie in de nazomer van 1936, waarbij grote oppervlakten rotstekeningen met behulp van gipsafgietsels werden gedocumenteerd. De onderneming was een succes, mede dankzij de welwillendheid van de Zweedse autoriteiten, maar hij zou niet worden herhaald.

Wirths succes duurde echter maar kort. Zijn negatieve houding ten aanzien van het christelijke geloof werd door de partijleiding gezien als een risicofactor die de steun voor het regime zou kunnen ondermijnen. Wat hij had geschreven over het matriarchaat en de relativering van het mannelijke leidersprincipe strookte sowieso niet met de partijlijn. Op de Reichsparteitag van Neurenberg in september 1936 zette Hitler de aanval in. Hij hekelde de “vage Noordse frasen” over een Atlantische beschaving. En terloops maakte hij ook de Böttcher-straatcultuur belachelijk; geldschieter Roselius moest diep door het stof.

Himmler, verwikkeld in een heftige machtstrijd met Rosenberg en diens overheidsdiensten, besloot daarom tot een vlucht naar voren. Naar verluidt opgestookt door verontruste archeologen verving hij Wirth in maart 1937, nadat hij hem eerder had ontheven van zijn belangrijkste taken Niet alleen had Wirths geloofwaardigheid geleden onder de publieke discussies; ook riepen zijn chaotische werkwijze, zijn omgang met ondergeschikten en de kosten van de Scandinavische expeditie irritatie op. Het echtpaar Wirth leefde ver boven zijn stand en had enorme schulden (84.000 rijksmark, bijna vierenhalf keer zijn riante jaarsalaris). Het manuscript van Wirths nieuwe boek Odal: Vom Sinn des Lebens und der Heimat over de oeroude wortels van de boerencultuur voldeed evenmin aan de verwachtingen. Een tentoonstelling over dit onderwerp op de rijksboerendag te Goslar in najaar 1936 werd geschrapt. Zijn collega’s meenden hem zelfs op een vervalsing kunnen te betrappen: Wirths reconstructie van de prehistorische zonnekalender van Fossum (Zweden) bleek op een onjuist geïnterpreteerde foto te berusten. Mogelijk had hij zelfs te maken met pesterijen.

De indogermanist Walther Wüst, die over betere papieren beschikte, nam het voorzitterschap van de Ahnenerbe over; Wirth mocht erevoorzitter blijven. De zakelijke leiding moest hij overdragen aan zijn assistent Wolfram Sievers. Niet alleen Wirth, ook de groep rond Darré werd vervangen door wetenschappers van zwaarder kaliber. De bejaarde Wilhelm Teudt werd buiten spel gezet, nadat de Ahnenerbe diens onderzoeksinstituut in Detmold had overgenomen. Wirths meest prominente leerling Haverbeck werd door Himmler persoonlijk uit de SS gezet; hij kon zijn geschriften niet publiceren en koos voor een diplomatieke loopbaan. Speculatieve germanofilie (Deutschtümlerei) moest plaatsmaken voor een robuustere, streng-wetenschappelijk gefundeerde rassenwetenschap die ook voor de buitenwereld geloofwaardig was. Tegelijkertijd kwam de Duitse Geloofsbeweging waarmee Wirth en zijn entourage zich eerder verbonden voelden sterker onder controle van het regime te staan.

Aanvankelijk werd Wirt maart 1937 met zijn staf teruggestuurd naar Marburg, waar de afdeling werd samengevoegd met de Hauptstelle für Sinnbildforschung van Karl Theodor Weigel. Maar het boterde niet tussen beide onderzoekers, Wirth voelde zich bekeken, Weigel wist zich geschoffeerd. December 1938 werden de laatste formele banden die Wirth met de Ahnenerbe had doorgesneden en moest hij zijn lidmaatschap beëindigen. Het gezin bleef achter in de halflege villa. Het instituut verhuisde begin 1939 naar een voormalig kindertehuis te Horn-Bad Meinberg, dicht bij het vermeende heiligdom van de Externsteine in het Teutoburgerwoud, waar de nazi’s – in navolging van Wilhelm Teudt – de Germaanse wereldboom Irminsul vermoedden. Wirth belandde op een zijspoor en fungeerde als kop van jut. Hij was inmiddels professoraat kwijt; zijn verzameling had hij in Berlijn moeten achterlaten, de zeldzame boeken gingen terug naar Roselius. Publiceren was niet meer mogelijk, zelfs niet in Nederland, hoewel zijn werk daar enige vermaardheid genoot. Hij wilde terug naar zijn geboorteland, schreef hij een Zweedse collega, maar dat had men hem verboden.

Nederland

Maar ook moest Wirth in Marburg blijven, het leek alsof zijn schaduw wel degelijk naar Nederland terugkeerde, aldus historicus Bernard Mees. In het NSB-kaderblad Volksche Wacht verscheen vanaf september 1939 een enthousiaste serie over zijn geniale ‘ontdekkingen’ en ook tijdens de oorlogsjaren bleef men hem citeren. Succesvolle propagandaboeken als Zinnebeelden in Nederland (1940) en Friesland – Friezenland (1942), ademen Wirths geest, mede dankzij de pakkende beelden van SS-fotograaf Willem van Heemskerck Düker en de teksten van uitgever Herman van Houten en volkskundige Sytse Jan van der Molen.

Twijfel aan het leiderschapsprincipe of aan het wetenschappelijke gehalte van het onderzoek konden de Duitse autoriteiten er echter niet bij hebben. Ook voor een tournee door Nederland achtte men hem niet de juiste persoon. Wirths aanpak zou in lekenhanden gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden; men had bovendien angst dat zijn boodschap het Friese particularisme aan beide kanten van de grens zou aanwakkeren. De regionale sentimenten waarop de steun voor het regime dreef, konden zich in theorie ook tegen de Duitse eenheid keren. Wirths pogingen om het manuscript Vom Kinderstein und Gottesjahr in 1941 bij uitgeverij Hamer gepubliceerd te krijgen, werden eveneens gedwarsboomd. Zijn kinderlijke verlangen naar het moedertijdperk was, zo oordeelde SS-adviseur Hans Ernst Schneider, typerend voor de halfslachtige steun aan het regime (“Geschichtsfurcht”) waar de Nederlanders sowieso al te veel last van hadden.

Bij de grote propagandatentoonstelling ‘Eeuwig levende teekens’ in het Haags Gemeentemuseum, 15 oktober tot 7 december 1941, werd zijn naam niet genoemd. Het was de bedoeling om het grote publiek te overtuigen van het gemeenschappelijke erfgoed dat de Nederlanders met Duitsland deelden. De organisatie lag in handen van de gebroeders Heinrich en Josef Ropohl uit Erkelenz, geruggesteund door Karl Weigel, die al ervaring hadden met een vergelijkbaar project. De gestudeerde heren bliezen echter te hoog van de toren en toonden weinig begrip voor de Nederlandse gevoeligheden. Dat leidde tot stevige confrontaties met de medewerkers van de Volksche Werkgemeenschap. Woordvoerder Nico de Haas greep de gelegenheid aan om in het Nederlandse SS-blad Storm nog eens duidelijk op Withs ontdekkingen te wijzen:

Hermann Wirth heeft ontzaglijk veel stof doen opwaaien en hij ’s met meer dan gewone woede aangevallen en verguisd. Onderdelen van zijn werk zijn onhoudbaar gebleken en enkele van zijn gevolgtrekkingen en stellingen onbewijsbaar gebleven of weerlegd. Niettemin blijft er na alle critiek een geweldige, baanbrekende arbeid over en een materiaalverzameling van verbazingwekkenden omvang.

Zonder Wirths Die Urschrift der Menschheit zou de “zinnebeeldvorsing [… nauwelijks nog denkbaar zijn”, benadrukte hij, wat men ook verder van Wirths latere publicaties mocht denken. Schneider rapporteerde naar Berlijn dat het beter was de gebroeders Ropohl nooit meer in bezet gebied te laten werken.

Marburg

Wirths opvolgers bij de Duitse Ahnenerbe omarmden stilzwijgend zijn pangermanistische visie. Eind 1937 had de organisatie al bijna veertig wetenschappers in dienst, waarvan het gros zich met volkskunde en zinnebeelden bezig hield. Zijn vroegere vertrouwelingen bleven sleutelfuncties bekleden, ze gingen verder met zijn onderzoek en maakten gebruik van het materiaal en de inzichten die hij had verzameld. Zo keerde zijn voormalige assistent Alarich Augustin in 1942 terug naar Friesland om een proefschrift over geveltekens te schrijven; Werner Müller besteedde aandacht aan de Ura Linda Chronik. Huth en Plassmann speelden een belangrijke rol in het Ahnenerbe-project Wald und Baum. “We hebben een schat aan baanbrekende inzichten over de geschiedenis van de Indo-Germaanse denken aan hem te danken”, concludeerde Wolfram Sievers nog in 1943: “wel beschouwd is hij de grondlegger van het onderzoek naar zinnebeelden”, dat zich inmiddels tot een serieuze wetenschap heeft ontwikkeld.

De Tweede Wereldoorlog gooide echter roet in het eten. Het zinnebeeldonderzoek raakte steeds verder naar de achtergrond. Wirth is “gekneveld”, zijn vereniging vernietigd en het onderzoek verworden tot opgravingskunde, klaagde Johann von Leers herfst 1942 tegenover Walther Darré. Hun gezamenlijke hoop op het geestelijke ontwaken van het Duitse volk was volgens hem veranderd in zijn tegendeel. Ook Weigels Sinnbildarchiv hield geen stand. Het instituut werd in 1943 overgebracht naar Göttingen; het omvangrijke fotoarchief belandde twee jaar later in de kelders van het gedenazificeerde Instituut voor Volkskunde, waarna het materiaal in 1953 opnieuw werd gerubriceerd voor andere doeleinden.

Wirth was intussen teleurgesteld geraakt in het regime. Nu hij niet naar Nederland mocht, probeerde hij het in Zweden. Hij stuurde rijksoudheidkundige Sigurd Curman begin 1939 een uittreksel van zijn nieuwste boek Des Großen Gottes älteste Runen, dat hij in Zweden wilde laten publiceren. Hij beweerde dat hij zelf ontslag had genomen omdat hij zijn onderzoeksvrijheid was ingeperkt en niet langer mocht schrijven over het matriarchaat. Nu zocht hij een aanstelling in dit land, waar de gewetensvrijheid in zijn ogen nog bestond en kondigde aan zijn leven aan de rotstekeningen te willen wijden. De topambtenaar vroeg advies aan zijn collega’s en reageerde daarna afwijzend. Een van Wirths meest uitgesproken critici, de archeoloog Nils Åberg die hem eerder in Bremen had leren kennen, was overtuigd van Wirths goede bedoelingen, maar stelde dat de meeste wetenschappers niets met zijn romantische theorieën konden aanvangen. De tekst was volgens hem vooral uit cultuurhistorisch oogpunt de moeite waard, namelijk als een boeiend inkijkje in de cultuur van het Hitlerregime.

Ondanks de vernederingen die hij had moeten ondergaan, bleef Wirth contact houden met Himmler, die hem tot februari 1942 aan verdiensten hielp en daarna een terugkeer naar de universiteit mogelijk maakte. Hij kreeg een onderzoekstoelage van het Rijksministerie van Onderwijs, extra middelen van de Deutsche Forschungsgemeinschaft en hij vroeg (tevergeefs) of hij een nieuwe reis naar Scandinavië mocht maken. Hij zocht tevens contact met de antisemitische Arbeitsgemeinschaft “Germanentum und Christentum” van de theoloog Wolf Meyer-Erlach te Jena, die nauwe banden onderhield met vooraanstaande nazi’s in Zweden. De SS-leiding achtte zijn vertrek naar het buitenland echter ongewenst en liet de plaatselijke politie voor de zekerheid zijn paspoort innemen. In november 1944 werd hij (op papier) aangesteld tot faculteitsbeheerder (Kustos) van het Instituut voor Duitse Volkskunde te Göttingen, ondanks verzet van de collega’s aldaar; hij mocht thuis aan zijn eigen onderzoek blijven werken. Hij behield bovendien de rang van SS-Hauptsturmführer; ook zijn oudste zoon Volkhart trad toe tot de SS.

Naoorlogs

In 1945 werd Wirth – inmiddels de zestig gepasseerd – door de Amerikaanse troepen twee jaar lang gevangen gezet en verhoord, maar de onderzoekers hadden geen duidelijk beeld welke rol hij had gespeeld. Zijn bewonderaars, met name de lutherse theoloog Friedrich Heiler uit Marburg, wisten de autoriteiten met Nederlandse hulp te overtuigen dat Wirth slachtoffer was geworden van politieke intriges. Zijn huis in Marburg was door Amerikaanse inkwartiering uitgewoond, veel fotomateriaal, onderzoeksgegevens en manuscripten waren verdwenen, ook zijn Leica-camera was gestolen. Eenmaal vrijgelaten, verhuisde hij begin 1948 met zijn gezin naar Dieren (Gelderland), waar ze introkken bij zijn zus en zwager. Maar Wirth merkte dat ze, hoewel allen afstand hadden gedaan van de Duitse nationaliteit, in Nederland niet erg welkom waren. 

Wirth zou later altijd blijven volhouden dat hij zich vanwege zijn bezwaren tegen het regime vrijwillig uit de Ahnenerbe had teruggetrokken. Omdat hij door Himmler aan de kant was gezet, meende hij tevens aanspraak te kunnen maken op een uitkering als oorlogsslachtoffer; nog op hoge leeftijd produceerde hij een kritische brief aan Himmler die zijn onschuld moest bewijzen. Hij beweerde verder dat hij en zijn vrouw maar amper aan het concentratiekamp waren ontkomen. Het echtpaar meende de strijd tegen verdachtmakingen en leugens te moeten aangaan, zodat – zoals zijn vrouw het in 1974 uitdrukt – “het licht van de Duitse ziel weer zal gaan oplichten”. Zijn aanhangers hielden dan ook vol dat Wirths betrokkenheid bij de Ahnenerbe na 1938 een kwaad gerucht was dat vooral door antifascisten werd verspreid.

Desondanks bleef hij in zijn publicaties ook na 1945 trouw aan de principes van het nationaalsocialisme en loyaal aan de Führer. Door zijn openlijke afkeer van de naoorlogse politiek verspeelde hij het recht op staatspensioen. Zijn antisemitisme wist hij nauwelijks te verbergen. Oud-nazi’s die zich van de vooroorlogse rassenwaan probeerden te distantiëren, noemden hem het toonbeeld van al te ver doorgeschoten Germanengekte.

Zweden

Onder de schuilnaam H.W. Roeper Bosch week Wirth in oktober 1948 met vrouw en drie kinderen uit naar Zweden; zijn jongste zoon Gernot was sinds januari 1943 in Rusland vermist. De volgende zomer was hij even terug in Nederland, waar hij in juni samen met de West-Friese rechtshistoricus Arian de Goede te Utrecht een Stichting voor Oergodsdienstgeschiedenis oprichtte. Enkele maanden later werden de plannen gelanceerd voor een museum in de grotten van Kasteel Neercanne (Zuid-Limburg), dat onlangs was aangekocht door het Limburgs Landschap. Maar de initiatiefnemers waren al gebrouilleerd geraakt en de schadevergoeding waar Wirth recht op dacht te hebben bleef uit, zodat het project strandde. Het jaar daarop dook hij weer op in Utrecht, met een valse identiteit, naar verluidt op jacht naar een verloren Oera Linda manuscript. Ook legde hij contacten met de theologische faculteiten van de Katholieke Universiteit Nijmegen en de Universiteit van Münster, maar het lukte hem niet voldoende interesse voor zijn denkbeelden, laat staan voor zijn museumplannen te wekken. Kwade tongen beweerden dat men eiste dat hij zich zou bekeren tot het katholicisme. Andere uitgeverijen als Brill in Leiden hadden evenmin belangstelling voor zijn bijdragen.

Wirth bleef voorlopig in Zweden wonen. Nadat hij een tijdlang op een boerderij te Hörja bij Hässleholm had gebivakkeerd, verhuisde hij met zijn gezin naar een villa te Bjärred bij Lund. Tegenover de nationale veiligheidsdienst beweerde hij stukjes te schrijven voor bekende bladen, onder het pseudoniem Folke Freij. Een bezoeker vertelde later dat in zijn studeerkamer een groot portret van hemzelf in SS-uniform hing. Mogelijk nam hij deel aan de vergadering bij Per Engdahl in Malmö in mei 1951, waar fascisten uit heel Europa een nieuwe Europese Sociale Beweging oprichtten. Een van de aanwezigen was oud-SS-er Wilhelm Landig (1909-1997), leider van een neonazistische kring in Wenen en een bewonderaar van Wirth, die vanaf het begin van de jaren vijftig zijn geschriften verspreidde en met hem bevriend raakte. De buitenwereld kreeg te horen dat hij een aanstelling had gekregen aan de Universiteit van Lund; in werkelijkheid ging het om een eenmalige lezing in november 1951 over landschapsfotografie en kleurendia’s. Het jaar daarop kwam Wirth aan het hoofd te staan van een nieuw bedrijf in Lund (Institutet för Färgfoto AB), dat zich bezig hield met kleurenfotografie. Hij bediende zich ook van andere namen, zoals Felix Bosch en Heinrich Bosch, en verhulde soms zijn woonplaats. Het lukte hem echter niet voor zijn gezin Zweeds paspoorten te krijgen. Na te zijn ontslagen wegens malversaties keerde hij begin 1954 met zijn vrouw terug naar Marburg, waar hij zijn eerdere onderzoekingen, nu als privé-persoon, voortzette. Zoon Volkhart vertrok met zijn bruid naar Nederland; de jongste dochter Ilge bleef in Zweden.

Rechtsradicale netwerken

Op uitnodiging van Heiler kon Wirth april 1955 samen met andere oud-nazi’s deelnemen aan het 8e internationale congres voor religiegeschiedenis te Rome. Zijn Atlantisch-Oergermaanse vocabulaire en zijn verheerlijking van het Noordse ras maakten plaats voor verbale loyaliteit aan Europese waarden. Wetenschappelijke erkenning bleef echter uit en hij raakte alsnog met Heiler gebrouilleerd. Zijn Ahnenerbe-verzameling wist hij grotendeels terug te krijgen, maar plannen voor een tentoonstellingsruimte in Marburg strandden. Wirth was daarna weer aangewezen op een kleine kring van getrouwen, waaronder Wilhelm Landig, de omstreden SS-kolonel Helmut Bischoff en de rechtse anti-kernenergieactivist Joachim Weitzsäcker. Zijn gedachtegoed werd sinds het einde van de jaren zestig verspreid door organisaties als de Armanen-Orde en het Collegium Humanum van zijn oudste leerling en levenslange vriend Werner Haverbeck, die zich met zijn echtgenote op de antroposofie had gestort en sinds 1967 als hogeschooldocent werkzaam was. Haverbeck, die in 1933 de Duitse natuurorganisaties onder controle van de nazi’s had gebracht, was sinds 1967 als hogeschooldocent werkzaam en zou als eerste de brug slaan tussen het völkische denken en de ecologie. De toon van diens hoofdwerk Das Ziel der Technik uit 1965 is zorgvuldig aangepast aan de liberale tijdgeest, maar tussen de regels door is Wirths invloed (met inbegrip van zijn antisemitisme) goed te merken. Beide mannen deelden een diepe afkeer van de moderne consumptiecultuur, de American Way of Life, die het leven de Bondsrepubliek in zijn greep had gekregen. Ook in kleine paganistische secten als de Goden-Orden en de Armanen-Orden was men vertrouwd met Wirths denkbeelden. Wirths boeken werden op de markt gebracht door Landigs uitgeverij Volkstum-Verlag te Wenen; vanaf 1969 bracht zijn eigen uitgeverij Eccestan-Verlag te Marburg (genoemd naar de Externsteine) enkele publicaties uit. Vanaf 1979 volgde een herdruk van Urschrift der Menschheit bij de ecologische leefgemeenschap Mutter Erde e.V. te Frauenberg bei Marburg, geleid door Andreas Lentz.

Wirth bleef ook na de oorlog een opvallende persoon in de rechtsradicale netwerken en bewoog zich openlijk in kringen rond de neonazipartij NPD en verwante groeperingen. Voor de rechter verklaard hij in 1956 dat het nationaalsocialisme ook veel goeds had gebracht. Een CIA-rapport uit 1957 stelt dat hij sinds kort weer aanhangers voor zijn denkbeelden probeerde te werven; hij wist het vertrouwen van Mathilde Ludendorffs antisemitische Bund für Gotterkenntnis te winnen en trachtte zijn bekenden in Vlaanderen te interesseren voor een Europese nazipartij. Met Johann von Leers, die via Buenos Aires naar Caïro was gevlucht, onderhield hij intensief contact; diens maandblad Der Weg vormde het belangrijkste platform van de wereldwijde fascistische beweging. Ook de Duitse veiligheidsdienst maakte zich zorgen over de “mystieke rassencultus” die Wirth propageerde. De historicus Jost Hermand leerde hem in 1958 kennen als een “fanatieke nationaalsocialist”. In 1959 sprak hij bij het Hermannsdenkmal te Detmold voor de neonazistische Northern League van Roger Pearson; zes jaar later voor het Deutsches Kulturwerk van Herbert Böhme; in 1975 voor de Freie Deutsche Bauernschaft van Holocaust-ontkenner Thies Christophersen, in 1971 en 1976 voor de Arbeitskreis Walter Machalett, een völkische ontmoetingskring die zich rondom de Externsteine formeerde.

De antisemitische Thule-romans van Wilhelm Landig zijn niet alleen geënt op het werk van Wirth, ze vormen tevens een populaire weergave van diens gedachtegoed en behoren tot de standaardwerken van het zogenaamde esoterisch nazisme; het embleem van de zwarte zon (sinds 1991) grijpt terug op Wirths symbolenleer. Enige afstand van dit milieu nam de reactionair occulte bestseller-auteur Jürgen Spanuth, die in navolging van Heinrich Pudor probeerde te bewijzen dat Helgoland het centrum van het verdronken Atlantis uit de Bronstijd moet zijn geweest. Net als Wirth en Landig werd Spanuth in 1969 lid van de omstreden Gesellschaft für Vor- und Frühgeschichte (Bonn) en publiceerde hij zijn werk bij het extreemrechtse Grabert-Verlag; zijn geschriften werden door Wirths aanhangers enthousiast ontvangen. Zeekapitein Rudolph Krohne (alias H.K. Horken), die eveneens op Wirths theorie over de noordelijke herkomst van het blanke ras voortbouwde, was voorzichtiger: hij wilde niet geassocieerd worden met de raciale zendingsdrang waarmee Wirth behept was.

Antisemitisme

Eind jaren vijftig kwam Wirth openlijk uit voor zijn antisemitisme. Hij schreef twee deskundigenrapporten voor de rechtse activist Wilhelm Prothmann, leider van de reactionaire Bund für Gotterkenntnis, die wegens zijn antisemitische geschriften voor de rechter kwam te staan. Antisemitisme is de schuld van de joden, zo redeneert Wirth, hun religie leidt namelijk tot uitwassen en daarop ontstaan telkens weer reacties. Hij hekelde het “massale bedrog” bij de Wiedergutmachung en beweerde dat het jodendom en de staat Israël een slaatje sloegen uit het tragische onrecht van de Holocaust en het gefantaseerde aantal van zes miljoen doden.

Naar eigen zeggen werkte hij nog altijd aan een vuistdikke monografie (het zogenaamde Palestinabuch) over de geschiedenis van het jodendom, die hij al in 1933 aangekondigd had. Het was zijn theorie dat de joden afstamden van een bijgelovig slavenvolk (Chazaren) in de marges van een mythische Noordse beschaving (Shambhala) in de Gobi-woestijn. Volgens de Chileense oud-diplomaat Miguel Serrano (1917-2009) moest het zijn magnus opus worden, de negatieve tegenhanger van de Ura Linda Chronik waarin de vrije Friezen de hoofdrol speelden. Het boek was vrijwel voltooid toen de manuscripten onder verdachte omstandigheden verdwenen. Serrano sprak hem hierover in september 1979:

Professor Wirth […] had onlangs een boek voltooid over de oorsprong van de joden, het resultaat van een leven lang onderzoek. Toen ik hem kende was hij 94 jaar oud, maar nog steeds levendig en alert. En juist toen, niet lang voordat hij stierf, werden de manuscripten van dit werk gestolen, hij geloofde door zijn eigen medewerkers. Marxistische infiltranten of misschien katholieken zorgden ervoor dat zijn meest waardevolle werk verdween. De wereld zal er nooit kennis van nemen. Het is een tragedie zo groot als de vernietiging van de bibliotheek van Alexandrië.

In het esoterische nazisme van Serrano spelen de denkbeelden van Wirth een belangrijke rol; beide mannen leerden elkaar in de jaren zestig persoonlijk kennen. De reactionair-esoterische filosoof Julius Evola en de traditionalist René Guénon rekenden Wirth eveneens tot hun intellectuele voorbeelden. Evola ontwierp al in 1934 het ideaalbeeld van een noords-boreale beschaving; hij sprak datzelfde jaar op het tweede Nordische Thing in Bremen; mogelijk ontmoette hij Wirth tijdens een van zijn Duitse lezingen in 1937 en 1938. Wirths theorie van het matriarchaat stootte beide elitaire denkers echter tegen de borst.

Onderzoek

In het deels autobiografische Um den Ursinn des Menschseins (1960) overheerst vooral rancune. In zwarte bewoordingen schetst de 75-jarige Wirth de teloorgang van de westerse beschaving dankzij de wreedheden van de kerk en de corrumperende invloed van de joods-christelijke beschaving. Tweeduizend jaar Christendom hebben de vrije noordse vrouw tot slavernij gebracht en de samenleving in een negatieve spiraal van oorlog en geweld gestort. Het Derde Rijk heeft met zijn mannelijkheidscultus slechts de ene vorm van geweld door een andere vervangen. En ook de Bondsrepubliek is wat hem betreft geen haar beter. Er dient daarom een nieuwe geestelijke beweging komen, een breuk met de mannelijke cultuur van macht en geweld. Hij pleit daarom voor een nieuw en krachtig heidendom, geworteld in de oergemeenschap van de Noordzeevolken en voorzien van een stevig esoterisch fundament, zodat Duitsland zijn plek in het middelpunt van het Avondland weer kan innemen. Maar Wirth ziet ook in dat de ‘wending ten goede’ nog wel enkele generaties op zich zal laten wachten. Aan de Holocaust maakt hij verder geen woorden vuil. Hij is nog steeds lovend over Hitler en geeft de schuld voor de teloorgang van het Derde Rijk aan de SS-leiding, door wie hij zich geslachtofferd voelt. Het was simpelweg een oorlog met verkeerde doelstellingen en aan het verkeerde front.

Het boek werd in de wetenschappelijke gemeenschap en in de media genegeerd. Alleen uit de DDR, waar men zijn afkeer van de Bondsrepubliek deelde, kwam een instemmende reactie. De geplande vervolgdelen zijn nooit verschenen. Een van zijn biografen constateert dat Wirth het zich door zijn rechtlijnigheid niet gemakkelijk maakte. Tot op hoge leeftijd ging hij door met schrijven en documenteren, ook al bleef het resultaat vaak ongezien in de la liggen. Hij liet zich gemakkelijk op sleeptouw nemen door zijn eigen gedachten, zoals dat eerder bij de Ura Linda Chronik en de vermeende zonnekalender van Fossum was gebeurd en kon daarna moeilijk toegeven dat hij het bij het verkeerde eind had.

In zijn naoorlogse publicaties concentreert hij zich vooral op religieuze symboliek en op iconische objecten als runeninscripties, rotstekeningen, prehistorische heiligdommen en heilige bergen. Hij had inmiddels de beschikking over het meeste materiaal dat hij tijdens zijn eerdere expedities naar Scandinavië had verzameld, waaronder een grote hoeveelheid gipsafgietsels van rotstekeningen uit de Bronstijd. Zijn collectie bracht hij onder in de Europäische Sammlung für Urreligionsgeschichte, onder leiding van Friedrich Heiler. Daarnaast zette hij omstreeks 1957 de Herman-Wirth-Gesellschaft e.V. (eerder opgegaan in de Ahnenerbe) weer op poten. Beide verenigingen gingen in 1962 samen tot de Europäische Sammlung für Urgemeinschaftskunde. Dit in het kader van het een nieuwe jongerenbeweging, met een ontmoetingscentrum en een openluchtmuseum Heimskringla “Weltkreis” die hij wilde stichten.

In 1962 en 1964 maakte hij nogmaals twee reizen naar Zweden om het materiaal aan te vullen, maar de autoriteiten stelde hem verantwoordelijk voor de schade die hij door zijn werkwijze veroorzaakte en het werd hem verboden nog langer zulke gipsafgietsels te maken. Hij organiseerde een korte tentoonstelling te Marburg in 1960 over Kerstfeest als de nacht van de oermoeders. Plannen voor een permanente tentoonstelling te Horn-Bad Meinberg leidden tot een storm van publieke verontwaardiging. “De Externsteine kunnen zich niet verweren”, heette het in een geruchtmakende radio-uitzending eind 1964. In zijn eerdere werk speelden de Externsteine nauwelijks een rol, maar Wirth had gemerkt dat hij juist hiermee verwante politieke, esoterische en religieuze groeperingen voor zijn ideeën kon winnen. In zijn ogen vormden vormden de stenen het restant van een moedercultus en niet van een fallisch ritueel zoals Machalett en de zijnen beweerden. De gidsen die hij schreef ondersteunden de rituele bijeenkomsten en herdenkingen die hier werden gehouden. Halverwege de jaren zeventig exposeerde hij zijn verzameling in een leegstaande boerderij te Fromhausen bij Detmold. Hij moest voor dit alles flinke schulden maken, de reistijd viel tegen en na twee seizoenen zag hij zich gedwongen de tentoonstellingsruimte weer af te stoten.

Groen of bruin?

Herman Wirth oud

Vanaf het begin van de jaren zeventig raakten ook antroposofische, feministische en ecologische kringen geïnteresseerd in Wirths esoterische theorieën, waardoor nieuwe raakvlakken tussen linksalternatieve en rechtsradicale stromingen ontstonden (“groen met een bruin randje”). De heemschut- en natuurbeschermingsidealen van rond 1900 bereikten via hem een nieuw en min of meer alternatief publiek. Wirth bloeide helemaal op. Hij profileerde zich als een groot voorstander van vrouwenrechten en kon op die manier publiekelijk afstand nemen van de nazitijd. Zijn belangstelling voor het sjamanisme en de oproep om terug te keren tot de diepere waarden van Moeder Aarde (met inbegrip van het paleodieet) sloten aan bij de actuele mode. Met name Andreas Lentz, grondlegger van de ecologische leefgemeenschap Mutter Erde te Frauenberg bei Marburg, liet zich inspireren door de levensstijl inspireren door de levensstijl van de Noord-Amerikaanse indianen, die volgens hun leermeester zouden afstammen van de Oergermanen. Zij organiseerden voor hem ontmoetingen met Amerikaanse bezoekers als de traditionalistische Hopi-leider James Danaqyumptewa, die op zoek waren naar kennis over hun verre voorouders. Haverbeck, die zich voor Die Grünen inzette, organiseerde op zijn beurt een tournee van de omstreden medicijnman Vincent LaDuke alias Sun Bear. Sleutelfiguren waren behalve Lentz diens schoonmoeder, geomantie-aanhangster Waltraud Wagner en de rechtsnationale yogaleraar, natuurgenezer en runoloog Gerhard Heß (*1941), grondlegger van de neopaganistische geloofsgemeenschap Oding. De laatste vereerde Wirth als stichter van de nieuwe religie en als “groot profeet van het noordelijke heidendom”. Van 1979 tot 1981 volgde een herdruk van Urschrift der Menschheit door Lentz’ huisuitgeverij.

De energieke professor had ook op hoge leeftijd weinig van zijn charisma verloren. Op zijn 94ste sprak hij nog urenlang voor een zaal vol enthousiaste toehoorders in de Universiteit van Augsburg over de voorgeschiedenis van het matriarchaat. In een interview uit 1979 vertelde hij dat het als zijn roeping te zien om bij te dragen aan de grote maatschappelijke en spirituele omwenteling waarop hij altijd had gehoopt. Hij vergeleek dit met de winterzonnewende: ooit zouden de zielen van de voorouders weer opstaan en in het nageslacht verder leven. Hij deed zich voor als slachtoffer van de nazi’s, maar vond het niet nodig zich van hen te distantiëren; hij had immers altijd al anderere opvattingen gehad. Zijn volgelingen leken dat laatste inderdaad te geloven, en een van hen wist zelfs een steunbetuiging van Willy Brandt te arrangeren. Tegenover zijn geestverwant Serrano sprak hij intussen onbesmuikt over zijn hoogachting voor Hitler. Wirth bleef op die manier altijd twee gezichten houden: geëngageerd naar buiten, tegelijkertijd loyaal aan de kring van gelijkgezinden. Met eerlijkheid nam hij het, zoals zijn biografen herhaaldelijk constateerden, niet altijd even nauw.

Nog eenmaal zette hij alles op alles om zijn verzameling onder te brengen in een permanent museum, nu in een tiendschuur te Thallichtenberg in de Palts, niet ver van waar zijn vader was geboren. Kort na de dood van zijn vrouw in 1978 verhuisde hij hier met zijn verzameling en bibliotheek van 10.000 banden naar toe. Zijn plannen werden ondersteund door lokale politici, die geen weet hadden van zijn politieke dubbelleven. In afwachting van de restauratie opende hij een tentoonstelling in een plaatselijk schoolgebouw en onderzocht hij met zijn assistent Roland Häke rotstekeningen in nabijgelegen grotten. Haverbeck verzorgde samen met zijn mentor een studieweekend ter gelegenheid van diens 95e verjaardag. Maar het museumproject strandde toen Der Spiegel in september 1980 over Wirths naziverleden publiceerde. Ruim vier maanden later kwam hij te overlijden. Zijn medestanders spraken over politieke karaktermoord. De hype rond zijn persoon doofde pas na enkele jaren uit.

Nalatenschap

Als voortzetting van de Sammlung für Urgemeinschaftskunde richtten Wirths aanhangers omstreeks 1977 de Gesellschaft für europäische Urgemeinschaftskunde e.V. Hermann-Wirth-Gesellschaft op. Eerste voorzitter was was holocaustontkenner Tjudar Rudolph. Onder de sprekers en genodigden bevonden zich geregeld kopstukken uit de internationale neonaziscène, maar ook belangstellenden met hele andere motieven. Na het overlijden van hun leermeester radicaliseerde een deel van Wirths aanhang, vooral in het voetpoor van Haverbeck, die in 1981 tot de ondertekenaars van het geruchtmakende Heidelberger Manifest behoorde. De meeste jongeren haakten af; de leefgemeenschap Mutter Erde viel ruziënd uiteen.

Onder leiding van Andreas Lentz stichtten de meest doorgewinterde Wirth-aanhangers in 1983 de Arbeitskreis für Ur-Sinnbild-Forschung te Frauenberg, die een eigen mededelingenblad uitgaf. Volgens critici was dit een “speeltuin voor ariosofische en rechtsnationale stromingen” waar het vooroorlogse gedachtegoed zonder veel bedenkingen aan de orde kwam. Gezamenlijk vierde men vervolgens in 1985 Wirths honderdste geboortedag met een vijfdaags symposium onder leiding van Werner Haverbeck in het Collegium Humanum. De Arbeitskreis ging daarna te ziele; de oorspronkelijke vereniging bleef besstaan en kreeg in 1996 de nieuwe naam Ur-Europa e.V. Wirths oudste vriend Haverbeck overleed in 1999; diens weduwe wierp zich daarna op als boegbeeld van het neonazisme.

De belangrijkste delen van Wirths verzameling en bibliotheek zijn – voor zover nog aanwezig – enkele jaren na zijn dood overgebracht naar het Österreichische Felsbildermuseum in Spital am Pyrhn in Opper-Oostenrijk, onder leiding van de bejaarde volkskundige Ernst Burgstaller, een oudgediende uit de tijd van de Ahnenerbe. Daar werd sinds 1998 een deel van de gipsafgietsels uit de Ahnenerbe-collectie zonder veel commentaar aan het publiek getoond. Critici spraken over een stiekume nazi-gedenkplek. In 2015 werd het materiaal verscheept naar het (particuliere) Tanums Hällristningsmuseum te Tanumshede (Zweden), waar vlakbij veel rotstekeningen waarover hij schreef te vinden zijn. De tiendschuur te Thallichtenberg herbergt sinds 1984 het Musikantenland-Museum.

De manuscripten werden kort na Wirths dood opgeëist door diens jongste dochter Ilge Bosch-Willebrand, landschapsarchitecte te Torsås (Zweden), die volgens sommige berichten een verstoorde verhouding met haar ouders zou hebben gehad. Enkele restanten werden later in een Duitse afvalcontainer teruggevonden, een deel belandde bij het Oostenrijkse museum, maar het grootste deel van het schriftelijke materiaal is volgens Eberhard Baumann, de samensteller van zijn bibliografie, verloren gegaan. Wel wist zijn vertrouweling Gerhard Heß kopieën te maken, maar ook daarover ontstond een richtingenstrijd. De trouwe Wirth-aanhang probeerde – zo beklaagde Heß zich – iedere vorm van kritiek op hun idool in de kiem te smoren, zelfs al kwam hij uit dezelfde politieke hoek als zijn tegenstrevers.

Nawerking

Dugin-Wirth-1998
Aleksandr Doegin doet zijn complottheorie over het verdwijnen van Wirths Palestinabuch uit de doeken (Herman Wirth en de heilige proto-taal van de mensheid, 9 december 1998).

Wirths godsdiensthistorische en etnografische stellingen worden door de wetenschappelijke wereld vrijwel eensgezind afgewezen. Niettemin vinden zijn theorieën nog steeds weerklank, enerzijds in feministische en de New Age-kringen (met name raw-foodisme), anderzijds bij aanhangers van neonazisme en esoterisch nazisme en bij volgelingen van neopaganisme en geomantie (leylijnen). Zijn denkbeelden worden vooral verbreid door organisaties die tot de directe erfgenamen van het nationaalsocialisme behoren. Via het internet bereiken zij nieuw publiek dat is geïnteresseerd in occultisme en esoterie, vaak zonder zich te hebben verdiept in politieke achtergronden. De belangstelling voor zijn werk sluit aan bij het huidige geloof in complottheorieën en pseudowetenschap. Een deel van zijn vaste aanhang, waaronder de wetenschappelijke leider van Ur-Europa, de bioloog Wolfram Zarnack (1937), is tevens voorstander van historisch-revisionistische benaderingen zoals de fantoomtijd-theorie en andere vormen van chronologiekritiek. Daarnaast besteedt men aandacht aan de speculatieve theorieën van Elisabeth Neumann-Gundrum (1920-2002) over megasculpturen, die tevens zijn geïnspireerd door het werk van Wilhelm Teudt, Jürgen Spanuth en de SS-occultist Karl Maria Wiligut.

De vereniging Ur-Europa heeft naar eigen zeggen sinds de jaren negentig afstand genomen van de antisemitische tendenzen in Wirths werk. Neonazi’s, racisten en antisemieten zouden uit het bestuur zijn geweerd; desondanks behoorden enkele kopstukken en een deel van de sprekers tot de rechtsradicale scène. Er was verder de nodige overlap met de Forschungskreis Externsteine, waar het völkische gedachtegoed eveneens gekoesterd werd. Het laatste jaarboek van Ur-Europa verscheen in 2015. Nogal wat auteurs die voortbouwden op Wirths werk, waaronder de jurist, historicus en ‘taalarcheoloog’ Gert Meier (1937-2019), publiceerden hun bevindingen bij de extreemrechtse Grabert-Verlag te Tübingen dan wel in het tijdschrift Deutschland in Geschichte und Gegenwart. De ideeën van Wirth en Haverbeck klonken verder door in de rechtsradicale tijdschriften Zeitenwende (1994-1996, Hagal (1999-2004) en Trojaburg (sinds 2005). Sinds 2016 zijn geen nieuwe activiteiten van de vereniging bekend.

Indirect is Wirth invloed aanmerkelijk groter, niet alleen in populaire werken over zinnebeelden en verzonken continenten, maar ook in de sciencefiction en de Duitstalige literatuur. Zijn betekenis voor de naoorlogse wetenschap is moeilijk in te schatten, vanwege zijn geschade reputatie en de vele taboes die zijn werk omringden. Zo zou hij invloed hebben gehad op het werk van de archeoloog Herbert Kühn (1895-1980), een van de grootste kenners van prehistorische kunst in Europa.  Sommige denkbeelden over matriarchaat en vroege schriftcultuur werden waarschijnlijk stilzwijgend overgenomen door anderen, zoals de archeologe Marija Gimbutas (1921-1994), die Wirth pas in 1991 tot haar voorgangers rekende. Zijn voormalige assistent, de etnoloog Werner Müller (1907-1990) onderschreef in 1982 – zonder Wirths naam te noemen – diens theorie over hun noordelijke herkomst van de indianen. Elders sluit hij nauw aan bij diens theorie van het matriarchaat. Via Müller lopen er directe lijntjes naar het werk van de antropologen Mircea Eliade en Hans Peter Duerr. Een van de weinige serieuze geleerden die openlijk naar Wirths werk verwezen, was de bejaarde filosoof Rudolf Pannwitz (1881-1969), een oude bekende uit de vrije jeugdbonden die in 1968 voorspelde dat diens “geweldige analogieën-materiaal’ ooit wel weer ontdekt zou worden. 

In de extreemrechtse kringen wordt vooral Wirths vooroorlogse werk gelezen; de oorspronkelijke publicaties brengen antiquarisch hoge prijzen op. In Duitsland laten onder andere het Thule-Seminar en de Verein “Parzifal” (eerder Trojaburg e.V.) zich door zijn nalatenschap inspireren; de belangrijkste titels worden uitgegeven door de neonazistische Forsite Verlag te Bottrop en Edition Geheimes Wissen te Graz, de rest door kleine ecologische, neopaganistische of antisemitische uitgeverijen. Wirths aanhangers benadrukken echter dat Wirth in het licht van de uitwassen van het Derde Rijk niet alleen dader, maar ook slachtoffer was.

Ura Linda - Italiaans
Italiaanse vertaling van de Ura Linda Chronik, 1989

In Frankrijk wordt hij geregeld geciteerd in tijdschriften als Nouvelle DroitÉléments en Éditions Heimdal. Nieuw-rechtse publicisten als Alain de Benoist en Robert Steuckers maken onkritisch gebruik van zijn theorieën. Zijn Ura Linda Chronik verscheen in 1989 in het Italiaans, zijn hoofdwerk Der Aufgang der Menschheit wordt sinds 2017 in het Italiaans vertaald. Duitse, Franse, Italiaanse en Russische radicale nationalisten staan vaak met elkaar in contact en citeren elkaar over en weer.

Opvallend genoeg bleef de aandacht voor Wirths theorieën in Nederland na de Tweede Wereldoorlog beperkt. Met name in de kleine kring van amateurhistorici die vasthouden aan de echtheid van het Oera Linda-boek wordt hij nog geregeld geciteerd. In Vlaanderen richtte de extreemrechtse activist Koenraad Logghe omstreeks 1989 een eigen Herman Wirth Genootschap op.

Rusland

Russische rechtsradicalen als de invloedrijke policoloog Aleksandr Doegin (1962) en de publicist Valerii Demin (1945-2006) beroepen zich op Wirths werk. De laatste propageerde met veel succes de mythe dat de Russische beschaving uit het hoge noorden zou stammen. Doegins boek Hyperboreale theorie: de ervaring van ariosofisch onderzoek uit 1993 is volledig gewijd aan de theorieën van Wirth, die hij uitputtend uit de doeken doet. Hij prijst de geleerde als “het stilste genie van die tijd; de ontdekker van de eerste taal van de mensheid” en “de uitverkorene van het Noorderlicht”. Doegins eerste Manifest van Arctogaia uit 1998 is verwoord in een taal die direct is ontleend aan zijn intellectuele voorbeeld. In TV-shows deed hij verslag van zijn vermeende vondsten in Russische geheime archieven. En bij verschillende gelegenheden gaf hij meer details over Wirths verdwenen meesterwerk dat zou zijn gebaseerd op de opgravingen die de Ahnenerbe in Palestina zou hebben verricht:

Er is dus geen regel, geen woord in het Oude Testament dat niet zou bezwijken voor een dergelijke Hyperboreale deconstructie. Het gaat niet om het bekritiseren van de tekst. […] Wirth bracht de regieuze lading hierin terug, hij onthulde de oorspronkelijke Hyperboreale gnosis – het ware fundament van de Oudtestamentische traditie, bevrijd van gekleurde, interpretatieve modellen. […] Je kunt raden wat voor een werk dit was. Helaas kunnen we nu alleen maar raden naar de inhoud. […] Al in de jaren ’70, toen Wirth het bijna af had, verdween de enige voltooide editie spoorloos. Tijdens zijn afwezigheid kwamen onbekende mensen het huis binnen, zetten alles op zijn kop, maar namen alleen het “Palestina Buch” mee. Wirth wendde zich tot zijn leerlingen (er waren twee of drie onvoltooide exemplaren), maar ook die kregen bezoek van mysterieuze vreemden. […] Ook al zou je alleen maar fragmenten van het “Palestina Buch” te pakken krijgen… Stel je voor hoe alles daardoor zou kunnen veranderen.

Het leek erop, zo beweerde zijn medestander Yurii Vorob’evskii, dat het manuscript door de Israëlische geheime dienst was ontvreemd. Wirths uitgave van de Ura Linda Chronik werd eveneens van stal gehaald, en geanalyseerd als een raciale mythe die gemakkelijk zou kunnen worden gebruikt om mensen te mobiliseren. Een van Doegins leerlingen vertaalde de tekst in 2007 in het Russisch en voorzag die van een uitvoerige inleiding.

Trivia

Herman Wirth mag niet verward worden met de classicus Hermann Wirth te Freiburg, kunsthistoricus Hermann Wirth-Bernards te Bonn en architectuurhistoricus Hermann Wirth (1940-2019) te Weimar.

Questenfest

Herman Wirth stimuleerde vanaf de jaren twintig allerlei rituele jaarfeesten, waarvan hij meende dat ze een prehistorische oorsprong hadden. in 1925 nam hij voor het eerst deel aan het Questenfest te Questenberg in der Harz, waarbij op Pinksteren een midzomerboom wordt opgericht; dit ritueel is ook in de DDR-tijd in zwang gebleven. Ronduit omstreden zijn de mei- en midzomerherdenkingen bij de Externsteine bij Detmold, een belangrijke ontmoetingsplek voor de extreemrechtse scène.

De Duits-Amerikaanse traditionalistische neofolk-zanger Markus Wolff heeft Wirths lied ‘Lichtkreuzweihe’ in 2000 opnieuw opgenomen.

Joelkandelaars

In zijn toelichting op de Oera Linda Chronik introduceerde Herman Wirth de zogenaamde Julleuchter (joelkandelaar). Dit waren kandelaars uit aardewerk, volgens hem herinnerend aan een oudgermaans midwinterritueel, waarbij de ‘oermoeders’ het ‘eeuwige licht’ in een toren lieten branden. In de hoogtijdagen van het Derde Rijk speelden dergelijke kandelaars een belangrijke rol in politieke rituelen die trouw aan het regime symboliseerden.De SS-leiding reikte deze joelkandelaars uit als een bijzondere onderscheiding. Leden van de SS werden geacht dekandelaar een belangrijke plaats in hun woning te geven. Bij overtredingen moest bij worden teruggegeven. In sommige neopaganistische rituelen speelt de joelkandelaar nog altijd een rol.

Publicaties

De bibliografie van Herman Wirth bevat zo’n 240 gedrukte titels. Daarnaast is een hondertal manuscripten gedocumenteerd. Zijn 16-milimeter films ‘Nordischer Urmythus und die Fleischwerdung Christi’ (1935) en ‘Die Heiligung der Erde’ (1938) zijn niet bewaard gebleven, evenmin als opnamen die hij onder de schuilnaam Dr. Hendrik Wybrants maakte voor ‘Der Frauenberg und der Gang zu den Müttern’ (ca. 1938).

Geplaatst in Filosofie / Philosophie / Philosophy, Geschiedenis / Geschichte / History, New Age, Politiek / Politik / Politics, Waddengebied | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De Zwarte Vlag – een gedicht van Derk Sibolt Hovinga

SchwarzeFahne

s Het zwarte vaandel van het boerenprotest, 1929. Landesmuseum Oldenburg für Kunst und Kulturgeschichte

In de nalatenschap van de Groninger dichter Derk Sibolt Hovinga (1909-1990) uit Oostwold bevindt zich een mooi, maar eigenaardig lied dat onlangs is gepubliceerd. Het is een lied naar aanleiding van het wegvallen van de meeste verdiensten in de landbouw gedurende de crisis van de jaren dertig. (1)

Luisteren
De zwaarte vlage

Swaart is ons hoaver en swaart is ons brood,
Swaart wappert vlage van onze nood.
Swaart is ons laand bezaaid met koren,
In swaart goan wie zulf veur zörge geboren.

Wie plougen en aaiden en waarken moar deur,
Wie zichten moar waiten nait woarveur.
Van wat wie verdainen deur onze kracht,
Dat wordt ons ontnomen deur overmacht.

Aal wat noa de laandhuur ons overbleef,
Verdwient deur de goaten van lastenzeef.
Moar wat wie verkopen dat is te goudkoop,
Veur aandern de oogst, veur boeren gain hoop.

Wie binnen vertwieveld, het end is der heer,
Al zol wie dat willen, wie kennen nait meer.
Swaart is de zörge en swaart is ons brood
Swaart wappert de vlage van onze nood.

Wie een beetje thuis is in de politieke bewegingen van de jaren dertig voelt de lading. De zwarte vlag was oorspronkelijk een rouwvlag. Hij speelde eind negentiende eeuw een rol in de anarchistische beweging, maar de vlag werd in de jaren twintig geannexeerd door extreemrechts. Voor de nazi’s en de Italiaanse fascisten, die hun zwarte vaandels van allerlei attributen voorzagen, was het een van de belangrijkste symbolen dat in allerlei liederen terugkeert.(2)

bauern-bonzen-bomben

Scene uit de film Bauern, Bonzen und Bomben van Egon Munk (1973), beschikbaar op youtube (39.40 en 53.30)

Het zwarte boerenprotestvaandel dook voor het eerst op in augustus 1929 tijdens de boerenprotesten van de Landvolkbeweging in Sleeswijk-Holstein.(3) Aanleiding voor de protestgolf waren de gekelderde landbouwprijzen, de hoge belastingen en de vele faillissementen en gerechtelijke verkopingen van boerderijen. Net als in Nederland werden vooral de gemengde bedrijven op de zandgronden zwaar door de crisis getroffen.  Al anderhalf jaar waren er geregeld protestvergaderingen en massademonstraties, die steeds vaker uit de hand liepen. De getroffen boeren weigerden belastingen en hypothekenlasten te betalen; gerechtelijke verkopingen werden gesaboteerd. Uiteindelijk volgden er bomaanslagen op belastingkantoren, regeringsgebouwen en woningen van ambtenaren, onder andere in Schleswig, Lüneburg en Oldenburg

Het nieuwe vaandel van de landvolkbeweging dat in 1929 opdook, was voorzien van een zilverkleurige ploeg en een rood zwaard, een teken dat de boerenstand méér bescherming wilde en een beroep deed op de gekrenkte militaire eer van het land na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog. Bij demonstraties werden de vlag dikwijls bevestigd aan een rechte zeis als teken van boerentrots, hetgeen door de autoriteiten weer werd opgevat als een uitlokking tot geweld. Dat leidde vervolgens tot harder politieoptreden en verdere escalatie, waardoor de sympathie voor de beweging groeide.

Een met bloed besmeurd boerenvaandel werd aanvankelijk door de politie in Neumünster in beslag genomen. De kopstukken van het oproer werden weliswaar veroordeeld, maar kregen al snel gratie. De vlag werd daarna het symbool voor de hele beweging. Die schwarze Fahne heette het blad van de organisatie dat in Itzehoe verscheen. Tien maanden lang blokkeerden boze boeren de voedselvoorziening van de stad Neumünster, waarna het stadsbestuur capituleerde en het buitgemaakte vaandel met veel bombarie aan de boerenorganisatie teruggaf.(4)

De Nederlandse pers berichtte uitgebreid over deze gebeurtenissen, die men als een ‘terroristische samenzwering’ kenschetste. Zo schreef de Algemeen Handelsblad al op 9 september 1929 dat ontevredenheid onder de boerenstand  koren op de molen van de nazi’s was: 

Van die ontevredenheid maken de nationaal-socialisten handig gebruik gemaakt voor hun propaganda door de boeren uiteen te zetten, dat de van de sociaaldemocratie afhankelijke regeering de geheime bedoeling zou hebben den ouden boerenstand […] door hooge belastingen murw te maken […]. In den laatsten tijd is het nog maar eens een enkelen keer tot uitbarsting gekomen onder de boeren. Zoo bijv. onlangs toen een hunner leiders, die in de gevangenis was gezet, in vrijheid werd gesteld. Honderden boeren kwamen toen voor de gevangenis bijeen en bonden zwarte vlaggen aan hun zeisen, welke oude onafhankelijkheidssymbolen echter door de politie in beslag werden genomen.

De symboliek van de zware vlag moest verwijzen naar de boerenvaandels uit de Duitse Boerenopstanden rond 1500. Die zagen er echter anders uit. Een zwarte boerenvlag figureert voor het eerst in een lied uit de Dertigjarige Oorlog (1618-1648).(5) Zwarte vlaggen vormden verder een belangrijk symbool voor de opstandige boeren in de Oekraïne in 1919, die uiteindelijk door het Rode Leger onder de voet gelopen werden. De militante beelden van zwaarden en ploegscharen zijn ontleend aan negentiende-eeuwse auteurs als Felix Dahn, die de middeleeuwse verovering van het Oostzeegebied door de ridders van de Duitse Orde en hun boerenkolonisten verheerlijkten.(6)

Het zwarte vaandel van de boerenprotestbeweging speelt een belangrijke rol in de roman Bauern, Bonzen und Bomben (1931) van de journalist Hans Fallada, die de boerenopstand van dichtbij had meegemaakt. Het boek is in 1973 verfilmd door Egon Munk.

In het boek laat de schrijver een bejaarde boer uit Neumünster (‘Altholm’)  aan het woord komen, die de betekenis van de symbolen op de vlag uitlegt:

Bauern-bonzen-bomben-buchUnd in diesen letzten Jahren nach der Revolution habe ich viele Fahnen gesehen. Rote … andere …
Und was die Kommunisten sind, die haben Strohpuppen rumgetragen. Die eine war der Oberbürgermeister und eine unser Feldmarschall Hindenburg. An einem Galgen haben sie die getragen.
Wir haben hier eine schwarze Fahne gehabt. Und schwarz war sie, weil wir trauern um unser liebes deutsches Vaterland. Und ein weißer Pflug ist darauf, wie wir Bauern sind und pflügen das Land, und der Pflug ist das Beste auf der Welt. Und ein rotes Schwert, weil nur vom Kampf der Sieg kommen kann …
Die mit dem Galgen sind frei rumgezogen, aber uns haben sie die Fahne genommen.
Ja, fragt ihr mich, liebe Landleute, warum haben wir den unsere Fahne nicht verteidigt? Wir sind doch so viele, und Polizei sind so weinige, und Jungbauern mit starken Knochen haben wir auch genug.
Bauern […], ich sage euch, wir haben uns die Fahne wegnehmen lassen, weil wir gehorsam sind unserer lieben Regierung. Weil wir uns alles wegnehmen lassen von ihr.

Het gebruik van de zwarte vlag verbreidde zich vanuit Holstein naar het grotendeels katholieke Emsland en het Oldenburgse Münsterland, waar de Land-in-Not-Bewegung al sinds eind 1927 van zich liet horen. Het Oldenburger Landesmuseum bewaart nog zo’n zwarte boerenvlag met zwaard en ploeg. In 1930 was het zwarte boerenvaandel op een protestbijeenkomst in Aurich te zien, samen met een Hitlerfahne.(7) Tientallen zwarte vlaggen tooiden eind 1931 ook protestbijeenkomsten in Pommeren, nu onder leiding van de paramilitaire Stahlhelm-organisatie, zelfs de bestuurstafels werden zwart behangen. Volgens Nederlandse kranten stond de boerenstand hier “op den drempel der rebellie”.(8)

Rapendorf-Gutshaus Hering 1926Al in het voorjaar van 1930 waren de protesten overgewaaid naar Oost-Pruisen (nu Noordoost-Polen), waar zo’n veertigduizend boeren zich onder de naam Bauernnotbewegung organiseerden.(9) Hier werd voor het eerst het Lied der scharzen Fahne gezongen. De auteur was een zekere Ortwin Hering, mogelijk afkomstig van een landgoed in Rapendorf (Aniołowo) in het merendistrict Mazurië. De melodie stamt uit 1837 en is van de hand van de volksliedcomponist Friedrich Silchner (1806-1860). Het betreft een bekend soldatenlied getiteld ‘Es geht bei gedämpfter Trommelklang‘, dat onder andere in het Preußisches Militair-Liederbuch van 1846 is opgenomen. Van dit soldatenlied bestaan vele opnamen, waaronder een versie van de bekende a-capellagroep de Comedian Harmonists (klik hier).

Schimmelreiter-Bauernfahne

Het boerenlied werd daarna al snel bekend en verscheen vanaf 1932 in tientallen nazi-liederenbundels, waaronder het populaire Sturm- und Kampflieder-Buch uit 1933, waardoor de meeste leden van de Hitlerjugend, SA en SS het kenden.(10) Het gold inmiddels als een traditioneel lied van de middeleeuwse boerenkolonisten uit Koerland.(11) Een zekere Carl Schulz-Tegel voorzag het van een andere melodie die echter geen succes werd.

Het lied wordt nog steeds in extreemrechtse kringen gekoesterd, waaronder deze recente versie (eveneens met een afwijkende melodie). Radicale neonazi’s gebruiken het zwarte vaandel in hun propaganda. Op het internet worden daarnaast badges en sleutelhangers in de vorm van de boerenvlag te koop aangeboden. Het lied figureert in allerlei romans, waaronder Josef Lauff, O du mein Niederrhein (1930), Artur Brausewetter, Nur ein Bauer (1932) en het kritische boek van de gevluchte schrijver Hans Siemsen, Hitler Youth (1940) dat vooral opviel door zijn openheid over homoseksualiteit.

Maar hoe kwam Derk Sibolt Hovinga nu aan dit boerenlied?

Vergelijking van de teksten leert dat hij zijn vertaling baseerde op de publicatie in het NSB-blad Volk en Vaderland van 2 juni 1934; de ritmiek laat bovendien vermoeden dat hij het ook originele lied kende. Dat hoeft niets te verbazen. Hovinga was naar eigen zeggen sinds zijn bezoek aan de Landwirtschaftliche Hochschule in Bonn-Poppelsdorf eind 1933 lid van de NSB en hij bleef dat vermoedelijk ten minste tot halverwege 1940, toen hij nog een artikel over de Groninger taalstrijd in het radicale NSB-kaderblad De Volksche Wacht publiceerde.(12) Hij was daarnaast jarenlang aktief in de boerenprotestbeweging Landbouw en Maatschappij, waarin actieve NSB-ers veel ruimte kregen.(13) Door zijn vriendschap met Boelo Bontkes, zoon van de nazi-auteur en herenboer Tjark Eltjo Bontkes (1885-1972) uit Finsterwolde werd het volkse denken hem met de paplepel ingegoten. Veel van de thema’s waarover Bontkes in die jaren schreef vinden hun weerklank in Hovinga’s werk.

BoerenstrijdliedHet thema van de zwarte boerenvlag was in Nederlandse nazikringen nogal populair, zoals blijkt uit het ‘Boerenstrijdlied‘ van Melchert Schuurman, voor het eerst gepubliceerd in de bundel Zoo zingt de N.S.B. uit 1935 (“De boerenvaandels trekken voort, de zwarte vaandels van de boeren in nood”). Het NSB-dagblad Volk en Vaderland waarschuwde al op 19 maart 1934: “Dreigend zwart, steeds dreigender wapperen de zwarte vlaggen van den boerennood, doch in den Haag is men hiervoor blind. […] Wie kan ook anders verwachten in een land waarin de democratie ten einde loopt?” Bij de campagne voor de Statenverkiezingen van 1935 werd het hoofdkwartier van de NSB in Groningen getooid met een zwarte vlag, in plaats van het gebruikelijke rood-zwarte vaandel.

Vlak voor de oorlog verscheen een nieuwe vertaling van het oorspronkelijke lied – onder de titel ‘Oostpruisisch Boerenlied’ – in Het Volksdagblad van 8 april 1939.

Sicherung Europas (1942)De symboliek van ploeg en zwaard stond al sinds het begin van de jaren dertig centraal in de bloed-en-bodemretoriek van het Derde Rijk, onder andere in de toespraken van de Hitlers landbouwminister Walther Darré, een politicus die in Groningen en Drenthe erg bewonderd werd.(14) De thematiek van de zwarte vlag maakte het mogelijk de boerenprotesten min of meer te annexeren onder de paraplu van de hele nazibeweging. Deze aanpak werd in de eerste oorlogjaren met kracht voortgezet. Hij sloot aan bij Hitlers leuze dat ploegscharen tijdelijk dienden te worden omgevormd tot zwaarden om in Oost-Europa nieuwe leefruimte voor de Groot-Duitse boerenbevolking te veroveren.(15)

De symboliek van de vlag spreekt overigens nog steeds tot de verbeelding. Het vaandel van de Landvolkbeweging dook in oktober 2019 opnieuw bij een boerendemonstratie in Oldenburg op. Dit tot verbijstering van sommige toeschouwers, die de associaties met de nazitijd niet konden onderdrukken.

Bij de presentatie van de nieuwe bundel met vertaalde en gezongen gedichten van Derk Sibolt Hovinga kon een familielid het niet nalaten te verwijzen naar de huidige crisis in de landbouw. Inderdaad haalde de dichter in de jaren zestig en zeventig enkele malen de krant met zijn kritiek op de landbouwpolitiek en de lage prijzen. Maar een vergelijking met de crisistijd gaat hier wel een beetje mank, omdat het EU-landbouwbeleid uit die jaren de Groninger boerenstand over het algemeen geen windeieren heeft gelegd. De ideologische lading van Hovinga’s vroegste werk is de meeste liefhebbers dan ook ontgaan.

Derk-Sibolt-Hovinga-Foto-D-S-Hovingafonds-Cultuurhistorisch-Centrum-Oldambt

Derk Sibolt Hovinga (1909-1990). Bron: Foto: D.S. Hovingafonds / Cultuurhistorisch Centrum Oldambt

Derk Sibolt Hovinga betuigde later spijt van zijn jeugdige onbezonnenheid. Hij stapte in 1941 over naar de het Nationaal Front van Arnold Meijer om zich daarna helemaal uit het politieke leven terug te trekken.(16) Zijn creatieve energie wijdde hij voortaan aan de dichtkunst. Maar het lied van de zwarte vlag bleef ongepubliceerd in de la liggen, net als andere politiek beladen teksten uit de jaren dertig.

De teksten naast elkaar

Lees verder

Geplaatst in Geschiedenis / Geschichte / History, Politiek / Politik / Politics, Waddengebied | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

De identiteit van het Waddengebied

Lezing gehouden op het Symposium Terpen- en Wierdenland, Warffum, 6 oktober 2018

Otto S. Knottnerus (foto: Lukas Kemper, Symposium Terpen en Wierdenland)

The past is a grotesque animal (Of Montreal)

Dromen van eigenheid

Toen ik me ruim dertig jaar geleden met de cultuur van het Waddengebied bezig ging houden, waren het niet zozeer de bijzondere natuurwaarden van het gebied die mijn interesse wekten. Ik was vooral gefascineerd door het oude cultuurlandschap, het land achter de dijken, dat in mijn ogen bezig was snel te verdwijnen of op zijn minst een deel van zijn historische identiteit te verliezen.

Achter de aanblik van herenboerderijen, terpdorpen en havenstadjes leek een overvloed aan verborgen geschiedenissen schuil te staan. Dijken, dorpswegen en afwateringsslootjes zijn allemaal met de hand gemaakt. Schepje voor schepje, de ene spadesteek na de andere. En niet alleen dat, het moeizaam verworven akker- en weideland moest constant worden onderhouden, de greppels uitgediept, het riet gemaaid. Dat verhaal diende in mijn ogen verteld te worden, en niet alleen dat van de herenboeren, veekopers en graanschippers, maar ook dat van de landarbeiders, polderjongens, boerenknechten en niet te vergeten boerenmeiden. De blik terug in een amfibisch landschap waarvan de sporen ons nog voor de voeten leken te liggen. Een zorgvuldige combinatie van archeologie, creatief bronnenonderzoek en oral history. En dat alles in het besef dat het ging om één sociaal-cultureel landschap dat opvallend veel samenhang vertoonde langs de hele Waddenkust. Een wereld die werd ervaren als een andere wereld, ook vroeger, anders dan elders, een leven dans le marais, waar andere mensen wonen die zich anders gedragen.

De Duitse geograaf Johann Georg Kohl schreef er ooit twee prachtige boeken over. De indrukken die hij kreeg tijdens zijn reizen langs de Marschen und Inseln van Sleeswijk-Holstein lagen ten grondslag aan het beeld dat hij voor Nederland en vele andere kustgebieden ontwierp.

Het houdt hier iedereen bezig, schreef hij in 1846, de tegenstelling tussen het binnenland en de kust, tussen Marsch en Geest, termen die in Duitsland een veel verdergaande betekenis hebben dan ‘klei’ en ‘zand’ alleen. Voor de echte kustbewoner valt de hele wereld uiteen in klei en zand, zo citeert hij zijn zegslieden. Het is het verschil tussen speculeren op de beurs en leven van oud geld, tussen Amerika en Engeland, tussen de nieuwe en de goede oude tijd. Bij Kohl dus geen romantiek: de moderne beschaving rolt van west naar oost over de kuststreek. De culturele rijkdom van het Waddengebied is bij hem het product van ondernemingslust en het steven naar gewin.

Ook de volkskundige Wilhelm Heinrich Riehl maakte samen met zijn hondje lange wandelingen langs de kust om, zoals hij dat noemt, zich Holland stapsgewijs toe te eigenen. Riehl benadrukt juist het relatieve isolement van de afzonderlijke kuststreken. De liberale herenboeren vormen in zijn ogen een soort halfbakken plattelandsadel, naïef vasthoudend en zelfgenoegzaam tegelijk. De wandelroute langs de Friese kusten staat niet op de kaart, benadrukt Riehl, je moet hem eerst zoeken en dan zelf maken, een geprojecteerde lijn door dunbevolkt land, omdat hier niet het land maar de zee voor samenhang zorgt.

Hoe dan ook, die samenhang interesseerde mij en ik verzwolg boeken als het Marschenbuch van Hermann Allmers, een romantische ode aan het kustgebied uit 1858, waarin de rijkdom van de plattelandscultuur in al zijn aspecten belicht wordt. Bij Allmers wordt het landschap tastbaar. Hij beschrijft de schijnbaar ongerepte kweldervlakten, omzoomd door slikken en fluisterend riet, murmelend water en klotsende golven, met aan de horizon het grenzeloze wad, de bollende zeilen en zwermen fladderende meeuwen. En hij neemt de lezer vervolgens mee naar de top van de dijk, van waaruit hij met ons neerkijkt op rijpende korenvelden en grazend rundvee – een weidse vlakte, bezaaid met groen omrande dorpen, deftige boerderijen en torenspitsen boven het struweel, vergezeld van de geluiden van ‘ratelende wagenwielen en ruisende sikkels, klapperende houtduivenvleugels en het gezang van de leeuwerik’. Ja, dacht ik, dat ken ik, daar wil ik zijn.

Ik had voor mijn eigen plannen zelfs een werktitel bedacht: als nieren in het vet, om het wroeten in de vette klei met de daaruit voortvloeiende culturele rijkdom te contrasteren. En om daarmee een brug te slaan tussen de tastbaarheid, de materialiteit van het landschap, en de identiteit van het Waddengebied.

Natuurlijk is dat allemaal te veel voor één persoon, en was mijn motivatie ook niet in alle opzichten zuiver. Nostalgie is dikwijls een slechte raadgever. Mijn aandacht verschoof allengs naar de mentaliteitsgeschiedenis en de historische geografie. Mijn blik verwijdde zich naar het hele waddengebied, ik leerde de geschiedenis van de eilanden en havensteden beter kennen en begon als landrot toch iets meer te begrijpen van het wad.

Maar, en daar wil ik eigenlijk met u naar toe, het was toen altijd nog mogelijk het Waddengebied in een grotere historische, geografische en sociale samenhang te zien. Weliswaar met een romantische blik en gekleurd door de Duitse Schulgeographie, maar nog niet ingekaderd door institutionele verbanden, ambtelijke targets en technische meetpunten. We hadden het nog over slik en wormen, niet over fosfaatgehaltes en bodemleven. Het verleden leek nog dichtbij en de verhalen werden nog verteld. Tenminste dat dachten wij.

Tijdgeest

Jan Abrahamse (1937-2013) (foto Waddenacademie)

Dat is nu wel even anders. Het Waddengebied waarover ik zojuist met u sprak, bestaat al jaren niet meer. De dagelijkse praktijk waarin onze historische kennis was geworteld is tot stilstand gekomen. De overlevering is onderbroken, ons mentale landschap versplinterd geraakt. Vrijwel niemand kan het oude verhaal van het Waddenland nog uit eigen ervaring navertellen. De gesubsidieerde projecten die in het kader van erfgoedbehoud worden opgezet, zijn vooral bedoeld om bestaande kennis te recyclen. Wat wij denken te weten, komt tegenwoordig uit boekjes of van het internet. Daar is verder niks mis mee. Maar als historicus/socioloog merk ik het direct: wat ik vandaag bedenk, kan morgen al weer bij mij terug komen. Historisch werk is onderdeel geworden van een nieuw soort identiteitspolitiek. Anders dan vroeger: de toets der werkelijkheid ontbreekt, of – beter gezegd – wat wij denken te weten over het verleden, wordt vooral getoetst aan het heden.

Voor mensen wier bestaan nog wel in de praktische omgang met het Waddenlandschap geworteld is, kan dat heel frustrerend zijn. Vissers, boeren, toeristische ondernemers hebben te kampen met hele andere problemen dan hun ouders of grootouders. De schaal van hun activiteiten is grondig veranderd. Maar ze hebben ook te maken met een hyperkritisch publiek en met ambtelijke toezichthouders bij wie – in hun beleving – de diepgaande kennis van het hier en nu ontbreekt. Wat ze vergeten is dat er wel degelijk een andere werkelijkheid is ontstaan, waarin toeristische programma’s en ambtelijke regimes een grotere realiteitswaarde hebben dan hun lief is.

Het grote waddenboek uit 1976, onder redactie van Jan Abrahamse, lijkt nu welhaast uit een ander tijdvak dan het onze te komen. Het is ook achteraf een heel bijzonder boek: natuur en cultuur zijn nog niet strikt gescheiden. Het land voor de dijk en dat erachter worden in onderlinge samenhang behandeld. Waddenzee en Waddenland lijken zo twee kanten van dezelfde medaille. Uit het boek blijkt een grote bezorgdheid over de toekomst van het Waddengebied. Maar het is volstrekt duidelijk dat er ook mensen wonen en werken. Zonder hun betrokkenheid is het gebied niet te redden. De kustcultuur krijgt veel aandacht, de vissers worden mild behandeld, alleen de groeiende toeristenstroom – waar de Waddenvereniging overigens wel op meelift – roept vraagtekens op. Het verleden is dichtbij en de verhalen worden nog verteld.

Voor wie het niet weet: Jan Abrahamse was een leerling van de geograaf Hendrik Jacob Keuning, een van de grondleggers van de historische geografie in Nederland, iemand bij wie de Duitse wetenschapstraditie nog altijd sterk doorwerkte. Zijn boekje Geest und Marsch uit 1957 kan welhaast als programmatisch gelden voor de hernieuwde waardering van het oude cultuurlandschap achter de dijken. Maar het was ook de tijdgeest: het overwegend jonge publiek was ernstig verontrust, niet alleen over de toekomst van de planeet, ook over de teloorgang van de vertrouwde wereld uit hun jeugd. De politiek moest compensatie bieden in de vorm van beschermingsmaatregelen, zowel direct naast de deur als in de wilde natuur die aan de horizon gloorde. De Waddenzee sprak in dat opzicht tot de verbeelding, zeker nadat men dat gebied als toerist had leren kennen.

Maar werd de Waddenzee alleen maar beschermd omdat het zo’n goed idee was? Dat zeker niet. De Club van Rome had gesproken. Het publiek wilde meer natuur. En op het wad hoefde dat in principe niks te kosten. In 1981 werd de Waddenzee daarom staatseigendom.

Wisselgeld

Een kwart eeuw later – zo rond de eeuwwisseling – waaide de wind uit een hele andere hoek. Natuur en cultuur waren het object van politieke ruilhandel geworden. Dat gebeurde niet alleen achter de dijken, waar de schaalvergroting in de landbouw en de uitbreiding van dorpen, steden en bedrijventerreinen steeds opnieuw om wisselgeld vroeg, doorgaans in de vorm van nieuw aangelegde natuur- en recreatiegebieden. Het hoe en waarom doet nu even niet ter zake, het gaat om het resultaat. In het geval van de ecologische hoofdstructuur had de minister zich laten overtuigen van het nut van dit concept, zodra zij begreep dat daar veel aannemerswerk uit voort zou komen (ik citeer een Duitse studie). Een win-winsituatie dus. Het cultuurlandschap werd ingeruild tegen natuur op andere plek. En dat tot tevredenheid van iedereen. In de Waddenzee gebeurde eigenlijk hetzelfde, al was de pot met wisselgeld hier kleiner. Er werden zorgvuldige grenzen rond het te beschermen gebied getrokken; de regelgeving werd gestapeld en de omwonenden die grotendeels buiten deze grenzen kwamen te wonen toonden hun frustraties. De beoogde ontvlechting van mens en natuur bleek een langetermijnproject dat ook jaren later nog niet is afgesloten.

De Waddenzee is inmiddels een land zonder mensen. In 1970 was het internationale Waddengebied een diffuus en heterogeen landschap met drieënhalf tot vijf miljoen inwoners en een boeiende natuurlijke en culturele erfenis die ernstig onder druk stond. In 2018 is de Waddenzee een strak gedefinieerd en homogeen natuurlandschap, omringd door een schil van menselijke bewoning en door cultuurlandschappen die nog altijd onder druk staan.

De bescherming van de Waddenzee vergde ook ander wisselgeld. De UNESCO eiste dat er een draagvlak ontstond voor het beoogde werelderfgoed. Een beschermd natuurgebied dat niet op brede steun kan rekenen van de omwonenden heeft geen toekomst. En dus werd er in 1999 een grensoverschrijdend project gestart dat de waarde van het cultuurlandschap rondom de Waddenzee moest benadrukken. Behoud van het culturele erfgoed en bewustwording daarvan zou – zo was de verwachting – ook het respect voor de natuur doen groeien. Identiteitspolitiek als vorm van natuurbehoud? Het omgekeerde bleek het geval: regionale belangengroepen kwamen in verzet en legden zich pas neer bij de nieuwe status van het gebied toen de nationale overheden beloofden hun eigen leefomgeving te ontzien. Ze wisten het zeker: hun broodwinning werd bedreigd en hun identiteit stond op het spel.

De scheidslijnen tussen natuur en cultuur verhardden zich. De plannen voor cultureel werelderfgoed werden op de lange baan geschoven en de resultaten van het onderzoek intussen gebruikt om meer toeristen te lokken, die op hun beurt het natuurlijke werelderfgoed moesten ondersteunen.

Zo versplinterde het mentale landschap. De beschermingsregimes die bedoeld waren om natuur en cultuur onder één noemer te brengen, creëerden nieuwe scheidslijnen die natuurbeschermers en omwonenden van elkaar vervreemdden.

De Waddenkust uitgevonden

Ergens halverwege dit traject heeft iemand de Waddenzee uitgevonden, ik bedoel de Waddenzee zoals wij die nu kennen. Of misschien hebben we dat wel allemaal samen gedaan. Ik hoor u al protesteren. En ik begrijp dat wel, maar dat is niet helemaal terecht. Natuurlijk, het natuurgebied ligt er al duizenden jaren. Maar er hebben altijd mensen rond gezworven. Zonder de mens geen Waddenzee, zonder de menselijke blik schiet ieder concept in het lege.

Het Waddengebied is toch oud cultuurland, hoor ik u zeggen. Mare fresicum, Magna Frisia, het land van de Friese taal en de Friese Vrijheid. Eén van de weinige niet-gefeodaliseerde gebieden in Europa (Marc Bloch). Een Germania Germanicissima, waar de heldhaftige strijd tegen de zee een diepgewortelde vrijheidsdrang heeft opgewekt die tot op de dag van vandaag op de, mentaliteit van de mensen doorwerkt (Hermann Aubin).

Ja en amen. Dat zegt nog helemaal niets over het culturele erfgoed, laat staan over de hedendaagse identiteit van het Waddengebied. Middeleeuwse bronnen hebben het daar niet over, die vertellen hun eigen verhaal dat voor ons vaak moeilijk te begrijpen is. Het landschap vergt een andere uitleg, afhankelijk van de modellen die wij erop loslaten.

Boeiender vind ik persoonlijk de nasleep van de Gouden Eeuw, toen de Waddenkust een van de drukst bevaren handelsroutes van Europa werd. De tijd van barokke provinciestadjes, getijdenhavens, walvisvaart en koloniale handel. Toen een groot deel van de eilandbevolking als gastarbeider op de Nederlandse vloot werkte en de scheepsofficieren Hollands spraken. Het waren de Hollandse cartografen die de wadden ontdekten, niet als natuurgebied, maar als veilige vaarroute naar Hamburg. Alle blikken waren gericht op Amsterdam, maar tegelijkertijd vierde het gewestelijke particularisme hoogtij. Van gemeenschappelijkheid was geen sprake: Hollanders, Friezen en Groningers gingen gescheiden wegen.

En dan de tijd van Napoleon, wanneer de kuststreek tot aan de Elbe wordt ingelijfd bij het Franse keizerrijk, als decor voor groeiende staatsinterventie, voor het continentale stelsel en de zogenaamde vrijheidsstrijd tegen dit alles. Het resultaat is een nieuwe staatsorde na 1815, waarin de Waddenkust voor het eerst als onderdeel van de nationale staat wordt gezien.

Het kan verhelderend zijn nog eens naar de oorsprong van onze hedendaagse terminologie te kijken. De term Noordzeekust stamt eigenlijk uit een Deense context: de heroïsche strijd van de Denen tegen hun vijanden op zee.

In de opstand tegen Napoleon ontstond vervolgens de droom van een nieuwe natie van de Alpenrand tot het Noordzeestrand. Termen als Nordseemarschen en Nordseeinseln zijn in het kader van de Duitse eenwording ontwikkeld. Nederland en Engeland dienden aanvankelijk als voorbeeld, maar al snel ontdekte men zijn eigen historie. De liberale burgerij keek met bewondering naar de zelfbewuste boerenstand uit de kuststreek, die zichzelf profileerde als erfgenaam van een middeleeuws republikanisme waaraan alleen de Hanzesteden konden tippen.

De frisse zeelucht die uit het buitenland kwam overwaaien, had een enorme politieke betekenis. De helende kuur aan zee, het vakantieplezier, het veroveren van het strand werd een metafoor voor de beoogde heling van de natie. “De Duitse beweging is doorgedrongen tot aan zee”, hield de liberaal Georg Beseler in 1849 de leden van het Frankfurter Parlement voor, “en de zeelucht die van daaruit blaast, zal frisse lucht over het Duitse land verspreiden, en versterkend en prikkelend op onze conditie werken”.

In 1864 volgde de verovering van Sleeswijk-Holstein en tenslotte wist Bismarck in 1890 ook Helgoland aan de Britten te ontfutselen. Tegelijkertijd begon de idealisering van de Friezen, die werden voorgesteld als meelijwekkende slachtoffers van de Deense bureaucratie en vervolgens als voorbeeld voor heel Duitsland.

De Waddenzee en de Waddeneilanden deelden in deze belangstelling. Ze vormden als het ware het decor waarbinnen de vrijheidslust en strijdbaarheid van de kustbewoners zich hadden kunnen ontwikkelen. Aan de eilandbewoners werden dezelfde heroïsche eigenschappen toegedicht. “Het land is van ons en dat moet het blijven”, dicht Theodor Storm in 1849. Het Waddengebied werd een onmisbaar onderdeel van het nieuw ontworpen vaderland.

Vanuit Duitsland verbreidde de term Waddenzee zich naar de buurlanden. Hij duikt in Nederland pas rond 1900 op en wordt vastgelegd in de Visscherijwet van 1908, waarna de monding van de Zuiderzee in 1932 wordt omgedoopt tot Waddenzee. In de praktijk sprak men over het Groninger en het Friesche Wad, over het Terschellinger Wad en het Uithuizerwad. Het duurde tot 1947 voordat de Bosatlas de term Waddenzee voor het hele gebied introduceerde; de topografische dienst deed er zelfs tot 1996 over. Pas langzaam kwam de Waddenzee op de agenda, aanvankelijk het terrein van landaanwinning, scheepvaartroutes en visserijbelangen, en pas veel later als natuurgebied.

Boerenland

Als er iets is dat de identiteit van het Waddengebied heeft gekleurd, dan is het wel de agrarische welvaart van de negentiende en vroege twintigste eeuw. Landschapvormen, dorpsbeelden, boerderijen, het geheel aan materiële en immateriële cultuur ademen een negentiende-eeuwse geest van vooruitgang en soms ook van verzet daartegen. Dat geldt vooral voor het vasteland; de eilanden hadden eerder te kampen met armoede en relatieve achteruitgang. Want ook de kustvaart klampte zich vast aan de boerenwelvaart. Tijdgenoten hadden daar geen passende term voor, ze spraken over zeekleigebieden en polderland. De Duitse term Nordseemarschen was een vlag die de lading beter scheen te dekken. Maar nog altijd vierde het provincialisme hoogtij: de Groningse boerenelite ontwikkelde een weidse blik die al snel over de oostgrenzen heen ging. In Friesland keerde het zelfbesef zich eerder naar binnen. Van wederzijdse herkenning was geen sprake. De Friese beweging smeedde banden met verder afgelegen streken waar men zijn Friese identiteit koesterde, zelfs al was de gemeenschappelijke taal daar inmiddels bijna uitgestorven.

Het landschap ging intussen grondig op de schop, moerassen werden drooggelegd en heidevelden ontgonnen. Het cultuurlandschap dat we nu zo diepgaand koesteren, is grotendeels een negentiende-eeuws product, in stand gehouden door voortdurende inspanningen van onderbetaalde land- en veenarbeiders.

Toch was het dit cultuurlandschap dat de babyboomers die de Waddenzee op de politieke agenda hebben gezet, graag wilden behouden. Als een soort tegenhanger van de wilde natuur die ze achter de dijken meenden te ontwaren. En niet als absolute tegenstelling: de ganzen moesten welkom blijven in het achterland, de garnalenvissers zouden hun gang kunnen blijven gaan, zij het in een wereld die ze voortaan met schippers op de bruine vloot moesten delen. De dijk was niet bedoeld als scheidslijn, hij moest de verbinding blijven tussen twee werelden, tussen werk en vrije tijd, tussen mens en natuur, tussen de verschillende identiteiten die we allemaal in ons hebben.

Zo werd de Waddenzee nogmaals uitgevonden: een romantisch concept dat verknochtheid aan het landschap verbond met bezorgdheid over de natuur, dat de historisch-geografie op één lijn plaatste met ecologische vakkennis.

Hybride

Het was een beeld dat moeilijk stand kon houden. De dijken, die grondig werden verbreed en opgehoogd, bleken wel degelijk een scheidslijn. Niet alleen in materiële zin: de schaalvergroting in landbouw, visserij en infrastructuur riep vergelijkbare problemen op, maar de oplossing was heel verschillend. En daarin speelt de uitvinding van de Waddenzee opnieuw een sleutelrol, nu niet als natuurgebied, maar als mengvorm van mens en natuur, als een bureaucratisch-natuurlijke hybride, die een hele eigen dynamiek vertoont. Zonder regelgeving geen Waddenzee, zonder Waddenzee geen regelgeving. Dit is een keiharde realiteit, nauwelijks minder tastbaar dan de natuurwaarden die we willen beschermen.

Dat is niet alleen het speelveld van ambtenaren en politici. Het is een onoverzichtelijk samenraapsel geworden van natuurbeschermers, bestuurders en wetenschappers die ieder hun eigen rol spelen en elkaar daarin opjagen. De bestuurders bieden oplossingen, dat is hun werk; de natuurbeschermers spelen in op de bezorgdheid van het publiek, dat is nu eenmaal hun taak, en de wetenschappers worden ingehuurd om de strijdige claims te onderbouwen, alles zoals het hoort. Daar is allemaal niks mis mee, maar het moet wel worden gezegd.

Problematische identiteit

Dat alles brengt mij terug bij de identiteit van het Waddengebied. Die identiteit is problematisch en dat is hij ook altijd geweest. Dat hoeft niemand te verbazen, want identiteit kun je niet vangen. Identiteit bestaat uit identificaties en die zijn in onze moderne wereld meer dan ooit diffuus, persoonsgebonden en heterogeen. Zoals het waddengebied zelf.

Cultureel erfgoed is een keuze, een identificatie met datgene wat we denken te willen behouden. Natuurlijk erfgoed is dat overigens ook.

Een tijdlang hebben we gedacht dat het anders was. Met de historische geografie in ons achterhoofd meenden we dat het landschap werkelijk de basis vormt voor wie wij zijn. Door ons nog meer in het Waddengebied thuis te gaan voelen, wilden we de versplintering van ons bestaan keren. Die blik op het landschap bleek echter bedrieglijk. We dachten dat we wisten wie we waren, maar met veranderingen hielden we geen rekening.

De echte natuurliefhebbers hadden het gemakkelijker: zij gingen into the wild. Ver weg van de menselijke beschaving naar een wereld waarin de mens niet meer dan toeschouwer is, de ultieme backpacker, die zijn identiteit slechts ontleent aan het toeristenbestaan.

Voor iedereen die woont en werkt in het Waddengebied is dat natuurlijk een fictie. Gedeelde identiteiten vergen keuzes, ze kunnen verbinden, maar ook scheiden. En dus zullen we telkens weer rond de tafel moeten: bewoners en bezoekers, natuurvrienden en liefhebbers van de geschiedenis, bestuurders en vakspecialisten. Maar vooral ook die partijen die niet voor zichzelf kunnen spreken: de vogels, de vissen, de erfenis van het verleden en vooral ook de toekomst van onze planeet.

Geplaatst in Geschiedenis / Geschichte / History, Politiek / Politik / Politics, Waddengebied | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Over stormzoekers en windhufters

Ik heb een terroristische daad gepleegd. Althans in mijn hoofd. Maar ik had het graag in werkelijkheid willen doen.

Als het aan mij lag had ik een van de haatdragende borden die nog steeds in de hoofden van de dorpsbewoners van Meeden rondspoken eigenhandig uit de grond willen rukken. Of wellicht overgieten met dieselolie en in de fik gestoken. Borden op publieke grond, gifdumpingen in het publieke debat. Vier jaar geleden had ik de kans, maar ik heb mijn hoofd toen beschaamd afgewend.

Hardnekkig probeert het Groningse dorp Meeden zijn evenwicht te hervinden. Gezellige vlaggetjes en leuke poppen suggeren dat de dorpsgemeenschap nog intact is. Maar de werkelijkheid is anders.

De borden met haatdragende opmerkingen zijn weliswaar van de straat verdwenen. De scheldpartijen en het haatzaaien gaan door. Nu op in de sociale media, zoals de Facebook-pagina van Storm Meeden. Nog steeds zijn het boeren en aannemers die bedreigingen ontvangen. Die te maken hebben met vernielingen en openlijk worden uitgemaakt voor windhoeren, landverraders en NSB-ers. Datzelfde lot onderging eerder ook de waarnemend burgemeester, die als kampbeul werd neergezet.

Wie kritiek heeft op deze hufterige en haatdragende toon wordt als ruziezoeker de mond gesnoerd. Storm Meeden discrimineert namelijk niemand, behalve natuurlijk de zogenaamde windhoeren en hun kinderen. En ook de mensen die kritiek hebben op deze toonzetting.

En het ging sindsdien van kwaad tot erger: de overheid wordt inmiddels bestempeld als terroristische organisatie, de democratie als een schijnvertoning en de hoogste rechters van dit land als handlangers van zakkenvullers. Langzaam komen alle samenzweringstheorieën uit de extreem-rechtse hoek in de hoofden van sommige Meedenaren tot leven.

Aanleiding voor dit alles zijn uiteraard de windmolens van 200 meter hoog, die op duizend meter van de dorpskern in het veld gaan verrijzen. Goed voor de energietransitie, goed voor de portemonnee van de groene graaiers (zoals de multinationals die van de klimaatcrisis profiteren door critici worden genoemd), maar een vervelend uitzicht voor veel inwoners. Een oorzaak voor waardedaling van woningen (vooral lastig als je wel een woning bezit maar je geen rechtbijstandsverzekering hebt). En een bron van veel angsten voor mensen die ervan overtuigd zijn dat windmolens met geluidsoverlast gepaard zullen gaan. Of dat zo is, zal overigens nog moeten blijken.

Maar de oorzaak zit dieper. Hij zit in de toonzetting die de voorlieden van Storm Meeden jaren geleden hebben gekozen. Mensen als Jan Hendriks en Wim van Dijk alias Pritt Pratt die als aanvoerders van de opgehitste volksmeute fungeerden en soms nog fungeren. Die inspeelden op de angsten van mensen, die hun boosheid aanwakkerden, die mensen ziek maakten van windmolens voordat ze gebouwd werden.

Deze toonzetting heeft de dorpsgemeenschap verdeeld, inwoners tegen elkaar uitgespeeld. Mensen ertoe ertoe gebracht elkaar te gaan uitschelden en bedreigen, of zelfs elkaars eigendommen te vernielen.

Deze toonzetting heeft ook de geloofwaardigheid van de protesten ondermijnd en ertoe bijgedragen dat veel potentiële medestanders zich ervan hebben afgekeerd. Dat geldt ook voor mij.

Inderdaad, wie storm zoekt, zal windmolens oogsten. Gezien de bedreigingen en vernielingen begrijp ik heel goed dat justitie onderzoekt of enkele kopstukken medeplichtig zijn aan strafbare feiten. Dat zij met hun hetze tegen betrokken boeren en aannemers daartoe aanleiding gegeven hebben, is voor mij zonneklaar. Het ging de fatsoensnormen ver te buiten. Willens en wetens, niet uit frustratie, maar om reacties uit te lokken. Of het strafbaar is, ja, dat is wellicht een andere kwestie.

Ik worstel met mijn gevoelens op dit punt. Burgemeester Adriaan Hoogedoorn van Midden-Groningen vraagt terecht om meer erkenning voor de gekwetste gevoelens van de bewoners. Hij neemt het voortouw in de dialoog. Maar hoe meegaand kun je zijn als slachtoffers tot daders worden? Met boze pubers, hoe terecht hun gevoelens soms ook zijn, valt dikwijls niet te discussiëren. Vooral niet als ze overgaan tot verbale agressie. Maar boze volwassenen die welbewust de regels van goed fatsoen overtreden? Even in de time out? Ik weet het niet.

(gewijzigd 2 juli 2019)

Geplaatst in Geschiedenis / Geschichte / History, Politiek / Politik / Politics, Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Familiemythe als collectieve (auto)biografie: De dominee en de alchemist

Hun stamgoed zal geweest zijn het adellijk goed Obernhausen in de Donaupfalz, waarom de eerstbekende persoon (Johannes Michaelis Knottnerus) zal gezegd hebben: Obernhausen ist mein! […] Oberhaus is een sterk kasteel tegenover Passau gelegen, op eenen berg aan den mond van het riviertje Ilm in Nederbaiern. Bij deszelfs verlating heeft de Roomsch Katholieke geestelijkheid zich hetzelve aangematigd, doch in nieuwere tijden is het weder gesaeculariseerd of wereldlijk gemaakt en de vestingwerken zijn met vele posten vermeerderd geworden. Met het Oberhaus is door een voortloopende muur het slot Niederhaus verbonden.

Het is bijna een halve eeuw geleden dat Lawrence Stone het begrip collectieve biografie introduceerde. De term is Weberiaans gekleurd: hij brengt niet alleen de levens van de groepsleden in al hun verschillende dimensies in kaart. Hij houdt ook rekening met zelfreflectie, het bewustzijn van de groepsleden van datgene wat hen onderling bindt en scheidt van de wereld om hen heen, kortom de groepsidentiteit en de daarmee verbonden individuele en collectieve strategieën. Dit in tegenstelling tot het begrip prosopografie pur sang, dat veel meer – in de lijn van de New Social History – de blik van buitenaf veronderstelt en het onderzoeksobject construeert op basis van gerichte onderzoeksvragen en waargenomen gemeenschappelijkheden.

Beide begrippen worden vaak onnodig verward. Volgens Charles Tilly kenmerkt de prosopografie zich door een statistische verwerkingswijze van losse biografische gegevens. In de collectieve biografie worden daarentegen vergelijkbare persoonsgegevens opnieuw gerangschikt tot een betekenisvol portret. Zijn voorkeur gaat overigens uit naar een derde onderzoekslijn: het verzamelen van vergelijkbare situaties en gebeurtenissen (event catalogs) teneinde achterliggende processen bloot te leggen.

Voor genealogen zijn deze verschillen zonneklaar. Als zij een stamboom maken komt de familie-identiteit al snel aan de orde, vooral als de naam van de familie met statusverwachtingen beladen is geraakt. Bij een parenteel (afstammingstabel) ligt dat gecompliceerder, omdat bij nakomelingen die buiten het familienetwerk zijn geraakt de herinnering vaak na enkele generaties verloren gaat. Een kwartierstaat benadert daarentegen eerder het ideaalmodel van de prosopografie. Doordat het onderzoek zich met terugwerkende kracht in een onbekend verleden uitstrekt, ontbreekt de factor van groepsidentiteit. De onderzoeksgroep lijkt haast willekeurig te zijn samengesteld; het punt waarop vage gemeenschappelijkheden worden omgezet in concrete verwantschapsrelaties ligt telkens in de toekomst.

Maar wat als de resultaten van het genealogische onderzoek een rol gaan spelen in het leven van de onderzochte groepsleden? Als de onderzoeker deel gaat uitmaken van het onderzoeksveld? Als het stamboomonderzoek – zoals dat in Europa vanouds gebruikelijk is – in dienst komt te staan van netwerkopbouw, loopbaanverwachtingen en carrièrepad? We zouden hier kunnen welhaast spreken van een collectieve autobiografie, die telkens door volgende generaties herschreven wordt en als zodanig een functie heeft voor huidige groepsleden en hun geprojecteerde toekomst. Het begrip collectieve autobiografie wordt vaak gebruikt om de geschiedenis te beschrijven van afzonderlijke generaties die zich bewust worden van het gedeelde verleden, zoals de kinderen van de Holocaust of de Flower Power generatie. Maar typerend voor de genealogie is nu juist dat het verworven groepsbewustzijn aan volgende generaties wordt overgedragen door middel van geconstrueerde beelden van het verleden. Herkomstmythes en gefingeerde stamreeksen vormden een vast gegeven in de vroegmoderne geschiedschrijving. In onze tijd daarentegen staat de genealogie vaak in dienst van maatschappelijk onbehagen. Het geconstrueerde succesverhaal van de voorouders wordt afgezet tegen een problematisch heden waarin gezinsleven, groepsidentiteit en sociale cohesie niet meer vanzelfsprekend lijken te zijn.

Wapen Knottnerus (NP 1951) bewerkt 2

Consumor aliis inserviendo

Ik stam uit een Groningse boerenfamilie die zijn naam deelt met een oud predikantengeslacht uit Oostfriesland. Beide families waren ooit verwant, maar daarvoor moet je bijna drie eeuwen terug. De gedeelde herinnering is al lang geleden verloren gegaan. De domineesdochter die op een boerderij terecht kwam had nakomelingen die het uitstekend deden in de landbouw. Hun dochters trouwden vaak met predikanten en de belangstelling voor godsdienstige retoriek bleef volop aanwezig. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de gemeenschappelijke voorgeschiedenis opnieuw benadrukt. De predikantendynastie had zich inmiddels in Nederland en de Verenigde Staten voortgezet. Beide families herkenden elkaars liefde voor het koningshuis, gehechtheid aan de Dordtse leerstellingen en betrokkenheid bij het Réveil.

Mythes speelden daarbij een belangrijke rol. In werkelijkheid heeft het voorgeslacht nooit op een landgoed gewoond. De vesting Oberhaus aan de Donau werd in 1219 gesticht als dwangburcht voor de vorst-bisschop van Passau. De reformatie heeft in dit ministaatje nauwelijks voet aan de grond gekregen. Het familieverhaal is ontstaan door knip-en-plakwerk: fragmenten van de overlevering werden gecombineerd met informatie uit recente naslagwerken.

Herenboeren en predikanten hadden elkaar tot op zekere hoogte nodig. De dominee was afhankelijk van de opbrengst van het land. Bij iedere dorpspastorie hoorden akkers en weilanden en de bewoner was het aan zijn stand verplicht enig personeel te houden. Slaagde een predikant er niet in goede huwelijkspartners voor zijn kinderen te vinden, dan raakten zijn nakomelingen aan lager wal of bleven de dochters ongehuwd. Omgekeerd teerden de boeren op het prestige van de predikanten. Zij woonden op landgoederen, al mochten die niet zo heten: herenhuizen met driedubbele rijen vensters, Engelse tuinen en daarachter een grote boerenschuur. Een hele serie nakomelingen in vrouwelijke lijn tooide zich met een dubbele achternaam of gebruikte de familienaam als tweede voornaam. “Knottnerus, das ist ja Bauernadel”, zo vatte een Oostfriese journalist nog eind jaren tachtig samen.

Aan de basis van de familietraditie ligt het relaas van drie broers uit de omgeving van Neurenberg die tijdens de Dertigjarige Oorlog naar het noorden trokken. De oudste vestigde zich als lakenverver in Den Haag, de tweede kwam als officier naar Westfalen, de derde werd predikant in de Krummhörn bij Emden. De laatste creëerde een mythische vertelling die in 1820 door een van zijn nakomelingen werd opgetekend. De herinnering werd ondersteund door een grafzerk uit 1684, getooid met het vermeende familiewapen en voorzien van vrome spreuken en symbolen.

Greetsiel.grafzerk.DSCF0218

Grafzerk van Johann Michael Knottnerus, Greetsiel 1684 (foto © Jan Knottnerus)

Het gedenkteken te Greetsiel schildert dorpspredikant Johann Michael Knöttnerus uitdrukkelijk als balling uit Gnadenberg in de Opper-Palts die ‘na verschillende avonturen’ in vreemde landen terecht is gekomen. De overlevering verhaalt hoe hij uit een ‘oud aanzienlijk geslacht’ stamde en ‘alle zijne rijkdommen’ vanwege het geloof heeft moeten achterlaten. Voor zijn broers is slechts een passantenrol weggelegd. Tijdens zijn vlucht had de student ‘verscheidene merkwaardige lotgevallen’ beleefd. Bij aankomst in Groningen bezat hij niet meer dan een (zegel)ring en een degen, maar ‘de edelmogende heren provincial’ gunden hem een studiebeurs, waarna hij predikant kon worden. Voor volgende generaties heeft hij een dringende raad: “Ook gij, wandelaar, zult niets meenemen. Ga, en volg gewillig waarheen het lot u trekt!”.

 

De mythe werd lange tijd gekoesterd; genealogische notities kregen een plek in het stamboek dat in 1836 inmiddels dertien namen van predikanten bevatte. Dopelingen werden vernoemd naar de stamvader en tegelijkertijd raakte ook het familiewapen met de vredesduif in zwang. Beide elementen waren ontleend aan de grafzerk. De naam was al in de zeventiende eeuw veranderd in Knottnerus zonder umlaut en uitgesproken als knot-nēris (/knɔt’nɪ:rʏs/), vermoedelijk om de deftige Latijnse vorm te benadrukken en de associatie met woorden als knoet en kneuter (met de bijbetekenis van ‘boerenpummel, Westfaalse immigrant’) tegen te gaan. Ook de tweede ‘t’ werd gekoesterd. De verwanten in het Oldambt wisten rond 1850 in de meeste gevallen te voorkomen dat die door bureaucratische slordigheid verloren zou gaan.

De invloedrijke Haagse predikant Ivo Gaukes Knottnerus legde uiteindelijk het contact met verwanten in Groningen en Oostfriesland. Hij gaf de bekende genealoog Diederik van Epen opdracht om een stamboom te maken, die werd gepubliceerd in De Wapenheraut van 1897. De boerentak kwam daarin nog niet voor. Van Epen nam wel contact op met familieoudste Samuel Ottes Knottnerus te Oostwold, maar die was onlangs overleden. De belangstelling voor de voorgeschiedenis was zo opvallend dat het kerkbestuur van Greetsiel rond 1900 besloot de grafzerk te verplaatsen vanuit het koor van de kerk naar een prominente plek naast de kansel om zo verdere slijtage te voorkomen.

De Rotterdamse juriste Cootje Blomhert-Knottnerus completeerde beide stambomen; ze werden in 1951 opgenomen in Nederland’s Patriciaat. Vanaf 1962 werden geregeld familiereünies gehouden en in 1991 volgde de oprichting van een familiestichting die de geconstrueerde herinnering koesterde. Vijf neven die predikant waren, beten bij dit alles de spits af, maar ook de nakomelingen van de boerentak lieten zich niet onbetuigd.

Nieuwe archiefvondsten vulden de mythe verder aan. Uit onderzoek in Beieren bleek in 1934 dat de eerst bekende voorvader Johann Knöttner afkomstig was uit Eger (nu Cheb) in Bohemen en in 1601 promoveerde aan de lutherse hogeschool van Altdorf bij Neurenberg. Zo meende men (ten onrechte) de naam Knottnerus met de voorgeschiedenis van het protestantisme in Bohemen te kunnen verbinden.

Het verhaal van de familie Knottnerus, zoals zich dat in de loop der eeuwen ontwikkeld heeft, is typerend voor een collectieve autobiografie. Hij brengt verschillende levensverhalen samen in een overkoepelend en grotendeels politiek-religieus perspectief dat een voortzetting lijkt van het vertoog op de grafzerk van de stamvader. De familieleden zijn ballingen op aarde en dienen zich ook als zodanig te gedragen. De hierdoor aangesproken waarden onderstrepen de onderlinge solidariteit en de noodzaak binnen eigen kring te huwen teneinde de erfenis van de protestantse orthodoxie veilig te stellen. Ze kregen bovendien een nieuwe betekenis door de opkomst van een orthodox-protestantse ‘zuil’ in het laatst van de negentiende eeuw, die gelijkgerichte groepen in verschillende delen van Nederland samenbracht. Het einde van de verzuiling verbrak daarentegen de vanzelfsprekende band tussen verre familieleden. Predikanten zijn er vrijwel niet meer in de familie. Het verhaal is versleten geraakt en leent zich nauwelijks voor hergebruik.

De collectieve autobiografie heeft ook zijn valkuilen. Complete takken van de familie, vooral in Duitsland en de Verenigde Staten, ontbraken in de stamboom. Ze raakten buiten het blikveld van de predikantendynastie. Opeenvolgende generaties vertrokken naar het stadje Leer in Oostfriesland, waar ze vooral in koophandel en nijverheid werkzaam waren. Dat geldt ook voor de broer van de stamvader, de officier uit Coesfeld, wiens zoon en kleinzoon uit Leer wel degelijk universitair geschoold waren. En nog steeds duiken onbekende verwanten uit de archieven op, zoals een schippersvrouw in Amsterdam, een binnenschipper in Groningen en een keurslijfmaker in Leeuwarden.

Het zelfbeeld van de hervormde orthodoxie had weinig aandacht voor andersdenkenden. De mystieke laag in de familiegeschiedenis werd al snel weggeretoucheerd. Recente vondsten zetten deze verborgen kanten in een ander licht. We volgen daarom het verhaal van de stamvader en twee van zijn zonen: de dominee en de alchemist. Voor de derde zoon is nog altijd een schaduwrol weggelegd.

Voorvader Johann Knöttner werd vroegtijdig gegrepen door het strenge calvinisme. De directe omgeving van Neurenberg behoorde tot de Opper-Palts. De familie van de keurvorst was sinds 1583 het calvinisme toegedaan en benoemde waar mogelijk gereformeerde predikanten en schoolmeesters. Het was een klassieke reformatie van bovenaf. Het calvinisme bood de keurvorst vooral een handvat om de bevolking sterker te disciplineren, morele misstanden tegen te gaan en de staatsmacht verder uit te bouwen.

De keuze voor het calvinisme was daarom niet alleen een kwestie van persoonlijke overtuiging, het vormde ook een carrièrepad. Knöttner was de eerste calvinistische rector van het stadsgymnasium in Neumarkt in der Oberpfalz. Het grootste deel van de leerlingen en hun ouders was luthers. De burgerij van het stadje verzette zich tegen de godsdienstpolitiek van de regering. Maar de rector wist zich goed te handhaven: dankzij zijn huwelijk met de dochter van een hoge beambte ging hij bij de plaatselijke elite horen. Daaraan zal hij het mede te danken hebben gehad dat hij werd benoemd tot predikant, eerst in de omgeving waar zijn schoonvader had gewoond, daarna in een deftige parochie bij het voormalige klooster Gnadenberg. Twee van zijn zoons werden ten doop gehouden door vooraanstaande beambten. Eén daarvan (dr. Johann Jacob Heber) was later een sleutelfiguur in het internationale netwerk dat de calvinistische diaspora vanuit Neurenberg ondersteunde en medegelovigen hielp bij hun vlucht.

In 1621 werd de Opper-Palts weer katholiek. De jonge keurvorst Frederik V was twee jaar daarvoor gekozen tot koning van Bohemen. Al na één winter verloor hij zijn koninkrijk, wat hem de bijnaam Winterkoning opleverde. Daarna werd hij ook uit zijn eigen vorstendom verjaagd en vluchtte hij naar Holland. Het nieuwe bewind trok de touwtjes strak aan; de protestantse voorgangers werden ontslagen. De predikant moest in 1626 met zijn gezin naar het nabijgelegen Altdorf uitwijken. Het erfdeel van zijn vrouw (een kwart hoeve te Markt Kastl) werd in beslag genomen.

Even leken de krijgskansen zich te keren. De zeventienjarige Johann Michael begaf zich in 1634 naar Heidelberg om daar te gaan studeren, maar moest al na korte tijd voor het oorlogsgeweld vluchten. Slechts met moeite kon hij Bremen bereiken. De details zijn te lezen in een aanbevelingsbrief die de diplomaat Johann Joachim von Rusdorf, hoofd van de vorstelijke regering in ballingschap, in 1637 schreef. De brief was gericht aan diens oude strijdmakker Hendrik Alting, hoogleraar theologie in Groningen, aan wie hij vroeg zich over de student te ontfermen. De diplomaat had eerder Johann Michaels oudere broer als secretaris in dienst genomen. Rusdorfs familie stamde overigens uit de omgeving van Passau en het familieverhaal over een verloren stamgoed lijkt vooral op hem te slaan. De broer Johann Caspar Knöttner volgde zijn werkgever op diplomatieke reizen tot deze zich eind 1637 in Den Haag vestigde, in de nabijheid van het keurvorstelijke hof.

Johann Michael kwam goed terecht in Groningen. Hij huwde een dochter van stadspredikant Cornelius Hillenius, voorman der contraremonstranten, en kreeg dankzij zijn hoogleraar een aanstelling in Oostfriesland. Hoewel de details (afgezien van een albuminscriptie) ontbreken, is het waarschijnlijk dat hij deel uitmaakte van een kring van jonge Duitse theologen die – in het voetspoor van Comenius en Duraeus – in de ban raakten van chiliasme, irenisme en mystiek. De zoons in Oostfriesland kozen voor de ruimhartige verbondstheologie van Coccejus en pas in de volgende generatie gaven de kleinzoons zich over aan de strenge dogmatiek van Voetius.

De broer Johann Caspar werd foerier van de Winterkoningin, daarna lakenverver in Den Haag; hij huwde een domineesdochter en had omgang met soortgelijke kringen als waarin zijn broer verkeerde, tot hij met zijn gezin in 1665 overleed aan de pest. Beide broers hadden onderling goed contact en zorgden ervoor dat hun neefje uit Coesfeld een baan kreeg als assistent van de Leidse hoogleraar Georgius Hornius, een leerling van Alting die eveneens uit de Opper-Palts stamde.

Johann Caspar Knöttner was gespecialiseerd in het verven van scharlakenrood, een kunst die slechts weinigen beheersten. Hij stond bekend als alchemist en bezat een verzameling zeldzame handschriften (“every good MS chymical”). Het geheime verfprocedé dat gebruik maakte van koningswater en tinzout was ontwikkeld door de gebroeders Kuffeler uit Keulen, schoonzoons van de bekende uitvinder Cornelis Drebbel. Zij werkten aanvankelijk in een  voorstad van Londen, maar weken vanwege de Engelse burgeroorlog uit naar Den Haag, waarna ze in 1646 het landgoed Hulkestein bij Arnhem huurden. Huis en bouwhof waren eigendom van de Arnhemse burgemeester Diederik van de Sande, die het complex gedurende twee termijnen van tien jaar aan hen overdroeg. Het herenhuis aan de Rijnstroom werd een ontmoetingspunt voor liefhebbers van experimentele wetenschap en hermetische filosofie. Het was bovendien een snelweglocatie avant la lettre: de rode lakens aan de droogrekken zorgden voor de benodigde reclame om nieuwe klanten te trekken.

Ditzelfde jaar berichtte een Duits correspondent vanuit Amsterdam dat er inmiddels een geleerde landsman van hem was die het geheim van Kuffeler had ontsluierd. Het was volgens toeschouwers beslist geen slodderwerk; het verfwerk werd allemaal zorgvuldig en netjes uitgevoerd. Daarbij moet het welhaast om Johann Caspar gaan. In augustus 1655 stond deze op het punt om naar Engeland te reizen, wellicht om daar de markt te verkennen. “Hij heeft goede scharlakenverf”, berichtte de beroemde geleerde Samuel Hartlib, “maar niet zo goed als die van Kuffeler hier in Engeland, die nooit vlekt”.

Het bedrijf op Hulkestein werd in 1658 overgenomen door een andere bekende, de alchemist en pansofist Johann Moriaen uit Neurenberg. Deze oud-predikant van Nederlandse afkomst had eerder (samen met Heber) een belangrijke rol gespeeld in het calvinistische ondersteuningswerk dat ook de familie Knöttner had geholpen. Moriaen had geld nodig nadat hij pijnlijke verliezen had geleden bij eerdere pogingen om goud uit tin te maken. Hij was op zijn beurt nauw bevriend met Hornius, die zich eveneens met dergelijke experimenten bezig hield. In vier jaar tijd kwam Moriaen er weer bovenop, waarna hij het bedrijf verkocht..

Scharlakenrood had een hoge symbolische lading. Het paste niet alleen in het modebeeld: de heldere ‘Kuffelaars couleur’ was het meest glanzende rood dat Europa ooit had gezien. Het was tevens de kleur van het einde der tijden en van de een na laatste fase in het alchemistische proces: de fase van ‘roodheid’ (rubedo), symbolisch voor het overwinnen van de tegenstelling tussen geest en materie en het ontstaan van een verlicht bewustzijn dat aan geestelijke en lichamelijke wederopstanding vooraf zou gaan. Het zoeken naar het perfecte scharlakenrood stond daarom in het licht van de speurtocht naar de steen der wijzen, die andere stoffen in goud kon laten veranderen en zijn bezitter eeuwig leven zou verschaffen.

Alchemie en gereformeerde spiritualiteit waren twee kanten van dezelfde medaille. Eindtijdverwachtingen hadden een belangrijke plek aan het hof van de Winterkoning: mystieke kringen uit heel Europa hadden hoge verwachtingen van diens huwelijk met de Engelse koningsdochter in 1613. De huwelijksband werd afgeschilderd als een heilig verbond dat grote veranderingen zou inleiden. Allen waren op zoek naar een goddelijke vonk die de wereld zou doen veranderen. Ook aan het hof in Den Haag bleef deze sfeer hangen.

Dat Johann Caspar Knöttner zich actief met alchemie heeft bezig gehouden lijdt geen twijfel.  De chemicus Johann Daniel Crafft vertelde later hoe de lakenverver hem in een Amsterdamse herberg op dure Spaanse wijn trakteerde. Toen Crafft vroeg waarom hij zo vrijgevig was geworden vertelde Knöttner hem dat hij onlangs had geleerd kwikzilver te transformeren in echt zilver. Zijn gast, die de voor het experiment benodigde zwavel zelf moest betalen, liet zich overtuigen, maar het procedé doet achteraf nog het meest denken aan een klassieke goocheltruc.

Serieuzer is het verhaal van de Haagse arts Johann Friedrich Helvetius in zijn bestseller Vitulus Aureus (‘Gouden Kalf’) uit 1667. Hierin vertelt hij hoe zijn goede vriend Johann Caspar Knöttner een zoutzuurmengsel leverde aan de Haagse zilversmid Andries Grill, waardoor deze zilver uit lood wist te produceren. De zilversmid probeerde het daarna nog weer, maar het mengel van zijn plaatsgenoot bleek onmisbaar om het experiment te laten slagen. Toen de listige Grill uiteindelijk besloot open kaart te spelen, was de ander, die verschillende mengsels in voorraad had, naar eigen zeggen al weer vergeten welke hij had meegegeven. Beide stierven kort daarna. Waar zij halverwege faalden, beweerde Helvetius alsnog te zijn geslaagd.

Omstreeks dezelfde tijd werd ook Hornius overvallen door een ‘razende melancholie’, nadat een listige goudmaker of alchemist uit Den Haag – wellicht Grill – hem vijfduizend gulden afhandig had gemaakt. In een vlaag van verstandsverbijstering liep hij naakt door de straten van Leiden, in het Latijn uitroepend: “Heb je ooit een paradijselijker mens gezien? Ik ben Adam!” De bewering dat de mens zich kon transformeren en net als Adam zonder zonde zou kunnen zijn, sprak de spiritualisten sterk aan. In de ogen van de gereformeerde orthodoxie dreigde dit te ontaarden in ketterij. Hornius had bovendien het aanzien van de universiteit geschaad. Hij kwam min of meer onder curatele te staan en werd uiteindelijk gedwongen elders een aanstelling te zoeken. Om alsnog zijn gelijk te bewijzen publiceerde hij een tekst van de middeleeuwse alchemist Jābir ibn Hayyān (Geber Arabis) met een inleiding over het waarheidsgehalte van de alchemie en een traktaat van zijn overleden oom Caspar Horn uit Neurenberg. Kort voor zijn geplande vertrek naar Heidelberg in 1670 stierf de strijdbare hoogleraar. Zijn landgenoot Johann Caspar Knöttner was toen al overleden en het neefje uit Coesfeld had zich inmiddels als verfverkoper in het stadje Leer gevestigd.

Zo blijken alchemie en spiritualiteit een verborgen laag binnen de familiegeschiedenis te zijn die door de latere orthodoxie is afgedekt. De herinneringen van de dominees hebben die van de alchemisten verdrongen. Maar ook hier is het de schijn die bedriegt. De familie bleek wel degelijk vatbaar voor het spiritualisme. Kleinzoon Samuel Knottnerus (1675-1749), predikant in het weidedorp Böhmerwold, verzette zich heftig tegen het opkomende piëtisme, maar gaf zich op zijn 57ste alsnog gewonnen. Diens zoon Johannes vertelde later hoe hij met zijn ouders en drie zusters binnen korte tijd “op het allernadrukkelijkste bekeerd” raakte, waardoor hij “uit het rijk des Satans in den dienst van Christus overgebracht wierd”. De vader liet op zijn grafsteen vermelden dat het goddelijke heil hem pas na 37 jaar uit de duivelse poel der letterwijsheid had gerukt, en dat alleen “om hier noch voor den Heer wat sielen te vergaren”. Sindsdien behoorde de familie tot de voorvechters van het bevindelijke christendom.

Zelfs het familiewapen op de grafzerk van 1684 leent zich voor alternatieve interpretaties. In Luthers bijbelvertaling is de tortelduif uit Psalm 74:19 een symbool voor het volk Israël, gevlucht uit het door oorlog verwoest land en gekweld door verlangen naar goddelijke rechtvaardigheid. Maar wat op het oog een simpele vredesduif lijkt, een irenisch teken van verzoening tussen de religies, blijkt bij nadere beschouwing tevens een hermetisch symbool. Zo staat de duif binnen de Joodse mystiek voor de onsterfelijke ziel van de mens. In de Kaballa wordt beschreven hoe de Messias tot zijn komst in een soort hemelse duiventil verblijft. Voor de hermetici die zich door de Joodse traditie liet inspireren werd het daarom een belangrijk gegeven dat Christus’ ziel was ontsnapt aan zijn stervende lichaam op Golgotha. Eerst zijn reis naar de onderwereld maakte de totale overwinning op de dood mogelijk.

Bij de alchemie ging het niet alleen om scheikundige processen. De zoektocht naar de steen der wijzen was tegelijkertijd – zoals Jung benadrukt – een metafoor voor geestelijke transformatie, inkeer en vernieuwing. En omgekeerd: religieuze modellen werden gebruikt om beter begrip te krijgen van de natuur. Deze kennis was niet voor iedereen weggelegd; hij werd, zo meende men, alleen geopenbaard aan diegene die zich voor innerlijke vernieuwing openstelde. De geheime kennis was bovendien geld waard (zoals we zien bij de lakenververij), waarom men alleen tegenover vertrouwde vrienden klare taal durfde te spreken.

Aan het begin van het alchemistische proces staat de duif voor de goddelijke inspiratie die nodig is om werk van transformatie te laten beginnen. Het bekende traktaat Rosarium Philosophorum, opgenomen in de bundel De Alchimia uit 1550, beeldt dit beginpunt uit als een neerdalende duif een roos komt brengen. Het bijschrift stelt: “Het is de Geest die levend maakt” en in een andere variant “Het is de Geest die verenigt”. Het is nu juist deze houtsnede die model staat voor verschillende prenten waarmee het heilige huwelijk tussen Frederik van de Palts en Elizabeth Stuart in 1613 werd opgeluisterd.

De duif op de grafzerk staat boven een brandende kaars die op zijn beurt rust op een schedel met twee doodsbeenderen. Zowel het embleem als het bijbehorende motto Consumor aliis serviendo (“ik word verteerd door anderen te dienen”) werden doorgaans gebruikt door artsen. Maar ook hier gaat het tegelijkertijd om een alchemistisch symbool. De eerste fase van het Grote Werk is een periode van lijden, ontbinding en versterving (nigredo of ‘zwartheid’). Dit wordt doorgaans afgebeeld als een kraai of raaf die op een schedel zit. Pas in de volgende stap maakt de geest zich los uit de verstrengeling met de dode materie. Dit is de fase van de albedo of ‘witheid’, het wegwassen of wegbranden van onzuiverheden, waardoor de essentie van de dingen zichtbaar wordt. Bij chemische processen herkende men dit aan de zouten, destillaten en extracten die zich hadden gevormd. Op deze wijze dacht men ook onedele metalen in zilver te kunnen veranderen. De alchemisten beeldden deze fasen gewoonlijk uit als een witte duif die na een langdurig gevecht de zwarte raaf overwint.

Basilius Valentinus (1613-1678) kleur

Titelblad van Basilius Valentinus, Azoth (1613), ingekleurd

Soms zien we in de afbeeldingen een opvliegende duif die zich heeft losgemaakt van de materie. Dit is niet alleen een teken dat de reinigingsfase is voltooid. Hij staat hier ook voor de vogel van Hermes (avis hermetis), de boodschapper der goden en de brenger van verborgen kennis. Uit het zogenaamde Boek van Lambspring, ontstaan rond 1500 in Noord-Duitsland, blijkt dat deze goddelijke vogel een metafoor is voor het levenspad van vrome mannen en vrouwen die steeds meer streven naar het hogere, maar nog steeds innerlijk verscheurd worden door materiële zorgen en liefde voor hun kinderen. De vogel die op haar nest zit (in dit geval een adelaar) houdt haar evenbeeld tegen die omhoog wil vliegen. Uiteindelijk dragen de beide duiven de kroon van de overwinning. Dergelijke beelden waren wijd verbreid dankzij alchemistische handboeken als die van Basilius Valentinus (Azoth, 1613), Johannes Daniel Mylius (Philosophia Reformata, 1622) en het Musaeum Hermeticum (1625), het laatste met illustraties van de bekende etser Matthäus Merian.

Nog één keer komt de duif daarna terug in iconografie van het Grote Werk van de alchemisten, nu aan het slot van de laatste fase van rubido of ‘roodheid’. De duif symboliseert hier de overwinning van alle tegenstellingen en de voltooiing van het transformatieproces. Hij heeft zich losgemaakt van materiële zorgen, maar moet alleen nog zijn vurige passie beteugelen. Hij raakt in een bloedig gevecht met zijn tegenspeler, maar wordt daardoor opnieuw getransformeerd. “Uit de duif wordt een nieuwe fenix geboren, die duisternis, stank en dood achter zich laat, om zo een nieuw leven te beginnen”, zoals Lambspring het onder woorden brengt.  De fenix die ongeschonden oprijst uit het vuur staat voor het geloof in de onsterfelijke ziel en de verwachting van een eeuwig leven. Uiteindelijk krijgt de duif als symbool van de Heilige Geest een plek tegenover het Lam Gods aan de linkerhand van de Schepper. Deze fase wordt ook wel afgebeeld als de wederstanding, wanneer de dode oprijst uit zijn graf.

De duif was in het begin van de zeventiende eeuw een belangrijk symbool voor innerlijke transformatie en het kan haast niet anders dan dat Johann Michael deze beeldentaal van nabij heeft gekend. Er bestonden in deze periode nogal wat raakvlakken tussen strenge calvinisten, puriteinen en spiritualisten. Men had nauwelijks redenen om van deze symboliek afstand te nemen. De familieoverlevering suggereert dat het familiewapen stond afgebeeld op de zegelring en daarom veel ouder was. Maar het kan evenzeer om een nieuwe symboliek gaan die de dominee met zijn broers deelde.

Op de grafzerk van Johann Michael worden alle drie fasen van innerlijke transformatie aangeduid als in een stripverhaal: het lijden en versterven door anderen te dienen (de brandende kaars op de schedel), de losmaking van het materiële (de zittende duif) en de uiteindelijke bevrijding (de opvliegende duif). In beide gevallen maakt de duif zich los van de ondergrond die hier wordt afgebeeld als een rotspunt. De rotspunt is tegelijkertijd een verwijzing naar het sterven van Christus op de berg Golgotha (Hebreeuws voor ‘schedelplaats’). Johann Michael stamde naar eigen zeggen uit Gnadenberg (een zinspeling op Golgotha), maar had zich daar noodgedwongen van los moeten maken. De olijftak kan tenslotte worden opgevat als teken van overwinning.

De alchemistische symboliek heeft mogelijk nog een onverwachte kant, omdat hij tevens naar de lakenververij van de broer Johann Caspar Knöttner lijkt te verwijzen. De duif maakt zich los van de rotspunt (knott), zoals het witte tinzout zich losmaakt uit het tinerts (knötel) van Bohemen. Het resultaat is de prachtige rode kleur die men nastreefde. Het is bovendien een afspiegeling van de verwachting dat men ooit tin in zilver of goud zou kunnen transformeren, zoals men hoopte ook de ziel te kunnen transformeren. Dit geeft een onverwachte bijklank aan de naam Knöttner(us). Het gaat zo gezien niet alleen om de bewoner van een rotspunt, ook om een soort beroepsnaam: iemand die in staat moet worden geacht met Gods hulp de materie in het hogere te veranderen.

Een geannoteerde versie van dit artikel verscheen in:  Conrad Gietman et al. (red.), Huis en habitus. Over kastelen, buitenplaatsen en notabele levensvormen. Opstellen voor prof.dr. Yme Kuiper, aangeboden bij zijn afscheid als bijzonder hoogleraar Historische Buitenplaatsen en Landgoederen aan de Rijksuniversiteit Groningen, Hilversum: Verloren, 2017, p. 212-225.

Geplaatst in Geschiedenis / Geschichte / History, Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , | 5 reacties

De fabel van Berend Botje

 

Tussen de spullen die ik ooit van mijn grootvader kreeg zit een stripverhaal uit het laatst van de negentiende eeuw. Het is een Duits vouwblad met vijftien plaatjes over een jongen die zijn weg in het leven nog moet vinden.

Hans Hänschen 1

De hoofdpersoon Hans Hänschen krijgt van zijn ouders de opdracht een beroep te kiezen. Maar het wordt een gebed zonder einde. Geen enkel ambacht bevalt hem: vissen is te nat, smeden te heet, graan malen te stoffig. Als boerenknecht moet hij te hard werken, als slagersknecht te hard rennen achter de varkens aan en een bestaan als kleermaker is te saai. Als soldaat belandt hij wegens gebrek aan discipline in de gevangenis en tenslotte is er nog maar één mogelijkheid:

Hans Hänschen war überall durchgebrannt,
Er wies sein Lebensglück von der Hand!
Statt Arbeit gefiehl ihm das Nichtsthun eher:
Drumm wurde er schliesslich ein Eckensteher.

Het is een bekend thema uit de Duitse literatuur. De Berliner Eckensteher waren komische, maar ook meelijwekkend karakters: verzopen dagloners met een speciale vergunning om hun diensten op een vaste straathoek aan te mogen bieden. Het thema komt uit de traditie van het bekende sprookje van Der dumme Hans, die op zoek naar zijn levensgeluk de ene domme streek na de andere uithaalt. Het sprookje is vooral bekend als vertelling van Wilhelm Busch uit 1910.

Hans Hänschen 2 a

Hierbij sluit weer een populair gedicht Hänschen will in Tischler werden van de kinderboekenschrijver Rudolf Löwenstein aan. Dit moralistische gedicht uit 1846, dat veelvuldig werd herdrukt, gaat over een luie leerjongen die op gezellenreis gaat. Ook deze Hans is iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken:

Hänschen hat noch viel begonnen, brachte nichts zu Ende;
Drüber ist die Zeit verschwunden, schwach sind seine Hände.
Hänschen ist nun Hans geworden, und er sitzt voll Sorgen,
Hungert, bettelt, weint und klaget, Abends und Morgen:
“Ach, warum nicht war ich Dummer in der Jugend fleißig?
Was ich immer auch beginne – dummer Hans nun heiß’ ich.
Ach, nun glaub’ ich selbst daran, daß aus mir nichts werden kann!”

Een ander voorbeeld is het bekende dialectgedicht Peter in der Fremde van Konrad Grübel uit Neurenberg, gepubliceerd uit 1805. Milder is het gedicht Hänschen klein van Franz Wiedemann uit 1860, waar de arme Hans als verloren zoon weer thuiskomt. Zijn zuster denkt dat hij een vreemde is, maar zijn moeder herkent hem aan zijn ogen. Het thema gaat terug op een spreekwoord van Maarten Luther: Was Hänschchen nicht lernt, lernt Hans nimmermehr (“Wat kleine Hans niet leert, zal grote Hans nooit meer leren”).

Russische viceadmiraal?

Ik moest aan het stripverhaal denken, toen ik me boog over de geschiedenis van Berend Botje. Ik heb het uitgewerkt op Wikipedia.

Het kinderliedje wordt op vele manieren uitgelegd en er bestaat een handvol theorieën over zijn identiteit. Het meest actueel is de gedachte dat het om de Russische viceadmiraal Lodewijk van Heiden (1773-1850) zou gaan, die in Zuidlaren is opgegroeid. Het betreft een gesubsidieerd project in het kader van de aanwijzing van de gemeente Tynaarlo tot culturele gemeente van Drenthe voor het jaar 2017. Deze herfst wordt met veel omhaal een kunstwerk uit Talinn naar Zuidlaren overgebracht dat de ‘ziel’ van de zeeheld voorstelt, terwijl hoogleraar Hans van Koningsbrugge in opdracht van het Drents Archief een biografie van de beroemde Drent heeft geschreven. “Het is best mogelijk dat Lodewijk van Heiden de echte Berend Botje was”, meent de professor, maar het definitieve bewijs ontbreekt. “We doen graag alsof Van Heiden Botje was om mensen voor hem te interesseren”, stelde de verantwoordelijke wethouder onlangs tegenover het Dagblad van het Noorden.

Het lied van Berend Botje

Wie zich over de geschiedenis van Berend Botje buigt, komt tot hele andere conclusies. De plaatjes bij de oudste Nederlandse varianten van het liedje uit 1871, 1882 en 1887 tonen een jongeman op zoek naar zijn levensgeluk, vergelijkbaar met Hans Hänschen en Peter in der Fremde, getooid met een strooien zeemanshoed, roeiboot, visnet en bootshaak.

uit: Volksdeuntjes uit de oude doos, D. Noothoven van Goor, Leiden 1871

Het liedje duikt voor het eerst in 1868 op in een boek over de folklore van Oost-Friesland. Kennelijk werd het hier gebruikt om onzekere jongemannen zonder doorzettingsvermogen aan te duiden, die op zoek naar hun levensbestemming twaalf ambachten verkenden en dertien ongelukken maakten. “Met het rijmpje wordt een jonge gelukzoeker (ein Peter in der Fremde) gekarakteriseerd, die omkeert zodra hij radeloos bij een wegsplitsing staat”, stelt de auteur Hermann Meier die leraar in Emden was.

Berend Buttje dee wul fahren
Mit sien schipke over de Baren,
De Weg was krumm,
Do ging Berend Buttje weer um.

Het liedje gold hier als een scheldrijm, waarbij iemand die in de ogen van de zanger niet deugde belachelijk werd gemaakt. Met een Butjer wordt bovendien sinds het begin van de negentiende eeuw in het Nederduits, met name in Hamburg en Bremen, een ‘onbehouwen persoon’ of ‘botterik’ aangeduid, verwant met het Groningse dialectwoord butje. Bij kinderen wordt het woord vergoelijkend voor een ‘wildebras’ gebruik.

De oudste Groningse dialectversie uit 1877, overgeleverd door Pieter Jelles Troelstra, sluit hier nauw bij aan. Ook hier gold het liedje tot ver in de twintigste eeuw als een scheldrijm. Berend keert aanvankelijk nog met hangende pootjes naar huis terug.

Berend Boddien, dei ging voaren,
Mit zien scheepien noar Zuudloaren,
De weg was liek, de weg was krom,
Doar kwam Berend Boddien weerom.

Pas in de Hollandse versie uit 1871 raakt Berend Botjen definitief het spoor bijster. Dit sluit waarschijnlijk aan bij het bekende volkslied Malbrough s’en va-t-en guerre, dat in de Nederlandse versie eindigt met “en hij kwam nooit weerom”. Dankzij de enorme oplagen van de kinderliedboeken werd deze nieuwe versie dominant. Dertig jaar later begon hij zich ook in Groningen en Drenthe door te zetten, om tenslotte gestandaardiseerd te worden in de liedbundel Oude en nieuwe Groninger liederen uit 1930.

uit: Barend Botje ging uit varen, J. Vlieger, Amsterdam 1887

Naar Amerika?

Het tweede couplet van het liedje – over het vertrek van Berend Botje naar Amerika – heeft een andere oorsprong. Het is een dansliedje, een polka, die in 1867 in Noord-Duitsland, in 1889 in Friesland en daarna ook in West-Friesland en Twente is gedocumenteerd. Het eerste en het tweede couplet zijn pas in de jaren zestig van de vorige eeuw samengevoegd tot een nieuw lied. De eerste vermelding betreft een stropop, die in de oudejaarsnacht van 1965 werd opgehangen in Zuidlaren als waarschuwing dat het beoogde standbeeld van Berend Botje nog niet was gerealiseerd. Het bijbehorende opschrift stelde: “1, 2, 3, 4, 5, 6, zeven, waar is Berend Botje gebleven?” Het lijkt er dus bijna op dat de Zuidlaarders het tweede couplet zelf hebben verzonnen. Maar het past wel heel goed in het bekende verhaal dat vele arme Groningers en Drenten na een bezoek aan de Zuidlaardermarkt niet naar hun geboortedorp terugkeerden en besloten naar Amerika te emigreren.

Het derde couplet en het slotrefrein (met afwijkende melodieën) zijn eveneens recente toevoegingen. Ze werden voor het eerst gedocumenteerd in Utrecht in 1999, maar zijn vermoedelijk omstreeks 1970 ontstaan. Het derde couplet werd verwerkt in een liedje van Trio Kloosterboer; tekstschrijver Jan Veldman hoorde het voor het eerst in Zandeweer waar zijn zus het zong. Het slotrefrein is eveneens een oud dansliedje, voor het eerst genoteerd in 1948, maar met een oudere Deense parallel.

Mogelijk waren een grammofoonplaat met kinderliedjes dan wel een radio- of televisieprogramma uit de jaren zestig verantwoordelijk voor de verspreiding van het volledige lied van drie coupletten met refrein.

Berend Botje telkens opnieuw uitgevonden

De zoektocht naar de historische Berend Botje hield intussen aan. Sommigen meenden dat het om Bommen Berend ging. Anderen herinnerden zich dat een humeurige arbeider die met zijn scheepje rond 1900 melk bij de boerderijen ophaalde en de bijnaam Berend Bootje had. De Drentse taalkundige Jan Bergsma dacht in 1901 aan een botvisser uit Oudeschans, die om aan de dienstplicht te ontkomen rond 1800 het land ontvluchtte. In Zuidlaren meende de middenstandsvereniging dat het om een dronken boertje uit Borger ging, die op zoek naar een huwelijkspartner op de Zuidlaardermarkt een blauwtje liep en op de terugweg met zijn scheepje verdronk. Dit is dan ook uitgebeeld in de vorm van het bronzen beeld van Berend Botje als een boertje op klompen en met opgerolde broekspijpen op zijn zinkende schip. Het beeldje kreeg in 1967 een plek aan de Stationsweg in Zuidlaren. Inmiddels is het beschadigde beeldje verhuisd naar het molenmuseum en vervangen door een replica.

Een anonieme inwoner van Joure beweerde daarentegen in 1965 dat het om zijn overgrootvader ging: de katholieke scheepsbouwer en reder Berend Drenth (1808-1893) uit Oude Pekela die zijn wrakke schepen de zee zou hebben gestuurd om de verzekering te flessen. De volkskundigen Jan Berns en Ineke Stroucken onderschreven dit verhaal in 1993. De VVV van Zuidlaren zette daar later weer een ander verhaal tegenover: het zou gaan om de menslievende houtzaagmulder en beurtschipper Jan van Bon (1792-1874) uit Zuidlaren. De historische bewijsvoering ging in al deze gevallen mank. En ook de pogingen om de historische persoon met Amerika te verbinden, gaan eraan voorbij dat dit element pas recent aan het liedje is toegevoegd.

In Drenthe was men intussen niet blij met de gedachte dat Berend Botje “geannexeerd” werd door “welbekende Groninger kopstukken”. En dus  bedacht de toenmalige uitgever Willem Foorthuis (tegenwoordig lector Duurzaam Coöperatief Ondernemen) in 1991 een gewaagde hypothese: het zou gaan om Drenthe’s “bekendste zeeheld” oftewel “de Drentse Odysseus”: Lodewijk van Heiden, telg uit de familie Van Heiden Reinestein, die de havezate Laarwoud te Zuidlaren bewoonde. Hij is de enige Nederlandse ‘zeeheld’ afkomstig uit Drenthe. Hij bracht lange tijd door in dienst van de Russische tsaar. In 1832 keerde hij als held in Zuidlaren terug, waar hij naar verluidt rondvoer in een stoomboot die koning Willem I ter beschikking had gesteld. Maar hij kon volgens de verhalen in Zuidlaren niet aarden, ging terug naar Talinn (Estland) en kwam nooit weer terug in zijn geboorteplaats. De bijnaam Botje zou volgens hem een verkorting van Bootje zijn. De ironische toon waarmee Foorthuis zijn voorstel omkleedde, ontging zijn opdrachtgevers. Zodoende werd de mythe van Berend Botje als Drentse zeeheld steeds verder opgeblazen.

Barend Botje als luie gelukszoeker

Wie goed naar het liedje en zijn oudste geschiedenis kijkt, ziet een toch iets anders: het gaat om niets meer dan een luie gelukszoeker, een Eckensteher, een Dummer Hans of een Peter in der Fremde. De negatieve grondtoon van het liedje wordt nogmaals bevestigd door het gedichtje Barend Botje, dat in 1925 in het Rotterdamsch Nieuwsblad en de Delftsche Courant verscheen:

Barend Botje

Barend Botje hield van slapen,
Hield van geeuwen en van gapen.
Barend hield van lekker smullen,
Kon met smaak zijn maagje vullen.
Barend Botje hield van spelen,
Maar het ging hem gauw vervelen.
Telkens vroeg hij nieuwe dingen. […]
Barend Botje liet zich graag verrassen,
Maar… vergat goed op te passen.
Barend Botje, zul je merken,
Hield van véél, maar… niet van werken!
Barend Botje is bekend
Als een kleine luie vent!

Op zich boeiend genoeg. Maar voor de bouwers van luchtkastelen misschien toch wat teleurstellend.

Geplaatst in Geschiedenis / Geschichte / History, Uncategorized | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

EarthMatters debunked

Flat Earth -  Flammarion - L'atmosphère météorologie populaire (1888) 2

In hoeverre staan de ‘alternatieve’ media open voor eerlijke discussies? In hoeverre is men bereid niet alleen kritisch naar de wereld, maar ook kritisch naar zichzelf te kijken? De feitelijke censuur bij de grootste alternatieve website van Nederland, Earth-matters.nl, doet in elk geval vermoeden dat die bereidheid in sommige gevallen vrij gering is. Ook hier geldt de moderne Facebook-norm dat de duim altijd omhoog moet blijven staan. Wie meer wil, wordt vriendelijk verzocht af te haken.

Inderdaad, ik ben aardig flauw van Arjan Bos (de frontman van Earth-matters-nl) en zijn club. Eerst wordt mijn reactievenster op Facebook zonder vooraankondiging geblokkeerd en worden mijn postings geschrapt. Een gesprek gaat hij uit de weg. In plaats daarvan komt er na twee maanden een lullig berichtje, waarin Arjan mij beschuldigt van azijnpisserij, of erger nog: van laster, gal spugen, anderen voor rotte vis uitmaken en modder gooien. ‘Iedereen mag vinden wat hij wil, kritiek is prima’, schrijft Arjan, maar als de redactie meent dat de toonzetting afbreuk doet aan het effect van de boodschap, gaat de knop op rood. Als iets bij EarthMatters je stoort, kun je er maar beter ‘niet meer komen’ en de berichten niet meer lezen. En iets anders doen waar je wel ‘blij van wordt’. Dank je wel, Arjan, ik ben benieuwd waar jij dan blij van wordt. Soms moet ik erg lachen om de ‘onthullende’ filmpjes op EarthMatters. Maar dat was geloof ik niet helemaal de bedoeling, toch? Ach, ik geloof dat dit niet echt een goede plek is om hierop te reageren. Ik moest het dan ook eerst een paar weken op mij in laten werken, want ik kon het eigenlijk niet goed geloven. Maar ik zal toch iets schrijven.

Voor wie het niet weet: Earth-Matters.nl, gevestigd in het deftige Haren (Gr.), is de grootste alternatieve mediasite van Nederland, met bijna 24.000 volgers op Facebook (méér dan bijvoorbeeld de linkse politieke partijen). Website en webwinkel zijn in 2007 ontstaan uit een initiatief dat bedoeld was om anarchistische samenzweringstheorieën – of zoals dat besmuikt heet ‘een aantal verborgen zaken’ – in de New Age wereld te verspreiden. De Stichting EarthMatters (handelsnamen Truth Matters, Meeting Matters en Green IT Dynamics) organiseert onder de naam ONE Heart tevens maandelijkse lezingen over gezondheid, spiritualiteit, duurzaamheid en ‘verborgen nieuws’.

Hier mijn reactie: ‘Je gaat zelf het gesprek waarvoor je mij hebt uitgenodigd, Arjan, uit de weg. Je doet er twee maanden over om te reageren, komt met stevige beschuldigingen (waar ik me op geen enkele manier in herken), je zet mij (en terloops ook John Werkhoven. neer als ruziezoeker en moddergooier en praat vervolgens op een lullige manier uit de hoogte zonder op enig argument in te gaan. Want de meeste van mijn reacties waren wel degelijk grondig onderbouwd. Voor mij voelt dat als onrechtvaardig en arrogant, het doet me erg denken aan de manier waarop overheidsorganen hun critici afpoeieren, maar ik zal me daar nog maar even overheen zetten. Nog steeds heb ik geen idee waar ik in jouw ogen de fout in ben gegaan. Alleen maar vermoedens. En die zal ik hier voor me houden (maar niet helemaal, zie het einde van dit stukje).

Eigenlijk schrijf je dat ik als persoon niet welkom ben (‘vooral niet meer komen’) en datmijn reacties ongewenst zijn, omdat mijn toon te kritisch zou zijn en jullie teveel werk zou kosten (dat argument hoor je ook vaak van overheden die geen kritiek kunnen velen). En je denkt ook al bij voorbaat te weten hoe ik over de dingen denk. Dit zegt – denk ik – meer over jou dan over mij. Inderdaad, doe je werk goed. Als je ‘onthullende’ filmpjes maakt, controleer dan de feiten, in plaats van er op een demagogische manier onwaarheden in te verwerken zoals je nu doet (helemaal los van het feit of iemand het met jouw doelstellingen of conclusies eens of oneens zou zijn). (Ik wil je niet van leugens beschuldigen, maar het feit dat je onwaarschijnlijke beweringen die in je straatje passen niet even controleert, zegt wel iets over waarheidsliefde.) Als je WOB-aanvragen indient, ga dan eerst eens uitzoeken hoe dat wel moet. Als je aan politiek doet, leer dan de spelregels van open discussie, in plaats van je met achterhaalde leninistische theorieën te verschansen in het eigen gelijk en medestrijders die kritiek op jouw aanpak hebben uit te maken voor ‘gecontroleerde oppositie’. En stop vooral ook te flirten met antisemieten en halve terroristen.

Mijn grootste kritiekpunt: EarthMatters plaatst zich langzamerhand buiten de spelregels van het democratische debat. Het speelt in op de diepe bezorgdheid over het lot van onze planeet die we allemaal delen, lokt de verontruste en vaak naïeve lezers met een breed scala van onderwerpen en weet aan bijna al deze onderwerpen dezelfde politieke draai te geven: we worden bedrogen door het hele politieke, economische en ideologische systeem, bijna alle politici, ondernemers en wetenschappers belazeren de zaak (tenzij hun ‘de schellen van de ogen vallen’). En we moeten ons daarom achter de alternatieve oplossingen scharen die EarthMatters ons aanbiedt. (En als het even kan ook nog de webwinkel van de eenmansfirma Orongo spekken – KVK 011500989 met de geregistreerde handelsnaam: EarthMatters, ‘Gespecialiseerde detailhandel via postorder en internet in overige non-food’). En mijn grootste zorg: de onverdraagzame, agressieve en soms zelf vijandige toon ten opzichte van alle vermeende en werkelijke tegenstanders, de hevige staat van overstuur zijn, de diepe onderbuikgevoelens waarop telkens weer wordt ingespeeld. (Daarentegen leidt een beetje kritiek op dwaalgeesten uit het New Age kamp dus al snel tot afwijzende reacties).

Shit happens, de wereld is onrechtvaardig, de machtigen streven naar macht, de rijken naar rijkdom, de ideologen naar het eigen gelijk. Daar is echt niks mis mee, wat misgaat, is de manier waarop wij daarmee omgaan. Wil je daaraan samen iets veranderen, dan zul je in de eerste plaats geduldig, verdraagzaam en vasthoudend moeten blijven. En er geloof in moeten blijven houden dat je miljoenen medestanders hebt die samen de gelijkhebbers kunnen overtuigen van hun ongelijk. Telkens weer.’

En tenslotte als aanvulling: een posting, die voor de redactie kennelijk niet door de beugel kon, ging over David Icke. Ik noemde hem – naar aanleiding van een filmpje op EarthMatters over kindermisbruik: ‘een naargeestige vampier die zich vol zuigt me de reële angsten en angstig makende fantasieën die de ronde doen in de op hol geslagen uithoeken van de “alternatieve” media. Allemaal om zelf meer aandacht te krijgen en zijn eigen ego te strelen.’ Ik sta daar nog steeds helemaal achter. Maar kennelijk ben ik met die opmerking over een grens gegaan, want Icke is een van de idolen van EarthMatters. Voor zijn boeken wordt op de site van EarthMatters veel reclame gemaakt. Voor wie het nog niet weet: Icke betoogt dat onze wereld wordt bestuurd door reptielenmensen afkomstig van een andere planeet, die af en toe mensenbloed nodig hebben om in leven te blijven. Vandaar de pedo-complotten, waarover de alternatieve media geregeld berichten. Complotten die de wereldleiders zouden proberen toe te dekken. Of Icke dit voor waarheid houdt, of dat het slechts een metafoor is voor zijn grotere verhaal over de Nieuwe Wereldorde, is niet helemaal duidelijk. Maar er nog steeds veel mensen in de ban zijn van dergelijke complottheorieën, vind ik op zijn zachts gezegd ‘zorgelijk’.

Geplaatst in New Age, Politiek / Politik / Politics, Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

De fabel van lactose- en glutenvrij eten

Tarweveld bij Hazerswoude

Sommige berichtjes zetten je aan het denken. Op één punt heeft de Belgische natuurgenezer Stef Mintiens namelijk helemaal gelijk: de voedingsmiddelenindustrie – ook de ‘alternatieve’ bedrijven – maakt schaamteloos gebruik van onze angst voor gluten en lactose (melksuiker). ‘Glutenvrije voedingsmiddelen zijn een miljardenbussiness geworden’, schreef Die Zeit onlangs, ‘Iedere maand brengen multinationale concerns nieuwe producten op de markt. Het glutenonderzoek maakt hoogtijdagen door en produceert duizenden wetenschappelijke artikelen’. In de Amerikaanse markt voor glutenvrije producten ging in 2011 maar liefst 1.3 miljard dollar om en men verwachtte een verdere stijging van ruim 10 procent per jaar.

En dat terwijl naar schatting maar 0.6 procent van de West-Europeanen last heeft van coeliaki en 5 procent van lactose-intolerantie. De meesten van ons stammen nu eenmaal af van honderd generaties akkerbouwers en zestig generaties veetelers. Kinderen die dit voedsel minder goed konden verteren, hadden een verminderde overlevingskans. In andere delen van de wereld, waar vanouds weinig koemelk werd gebruikt, is de overgevoeligheid voor lactose veel wijder verbreid.

Maar moeten we in plaats daarvan bang zijn voor tarwe en gepasteuriseerde koemelk? Dat is wat Mintiens in zijn recente blog (een voorproefje van zijn nieuwe boek) beweert. Onze tarwe zou genetisch zover afstaan van de tarwe van onze grootouders, dat maar liefst 30 procent van de mensen er last van zou hebben. En 90 procent van de mensen zou niet goed tegen koemelkeiwitten kunnen. Daarom raadt Mintiens aan ‘gezonde, volwaardige granen zoals spelt, kamut, quinoa en rogge’ te eten dan wel ‘biologische, oude, niet gemanipuleerde tarwerassen … die we gelukkig nog vinden in Duitsland, Zuid-Frankrijk en Italië’.

Laat ik voorop stellen dat voedingspatronen voor iedereen anders uitpakken. Dagelijks een paar sneden volkoren tarwebrood bevalt mij persoonlijk uitstekend, te veel melk geeft me een opgeblazen gevoel en soja bezorgt me – net als bonen – darmkrampen. Daar hoeft op zich niks mis mee te zijn. Kool, uien en koolraap zijn hartstikke gezond, maar onze voorouders wisten al heel lang dat je daar ook erg winderig van kunt worden. Als je ergens last van hebt, valt er iets te onderzoeken. Je kunt producten laten staan waar je beroerd van wordt, genoegen nemen met enig ongenoegen of zelfs de vraag stellen of je iets voelt omdat je verwacht het te voelen. En dan is er nog niks mis.

Maar Mintiens, een voormalige tandarts die zich op homeopathie en acupunctuur heeft toegelegd, beweert iets anders: grote groepen mensen zouden last hebben van tarwe- of koemelkintolerantie. En daarom kunnen ze maar beter deze producten vermijden. De vraag is natuurlijk voor mij of zijn argumentatie klopt.

De medische literatuur onderschrijft zijn beweringen in elk geval niet. In de VS lijdt ongeveer 0.4 procent van de kinderen en 0.5 pct van de volwassenen aan tarweallergie. En de allergie voor koemelkeiwitten treft ongeveer 2 tot 3 procent van de kinderen in de Westerse wereld. Beide allergievormen verdwijnen vaak als de kinderen opgroeien. Overgevoeligheid voor gluten – anders dan tarwegluten – is daarentegen mogelijk veel wijder verspreid dan we tot dusverre dachten. Het treft – zo meent men nu – ongeveer 5 tot 6 procent van de bevolking. En voor deze mensen vormen andere granen (of bijvoorbeeld geitenmelk) meestal geen alternatief.

Tarwe en spelt

Van koemelk heb ik minder verstand. Wel een beetje van granen. Als zoon van een tarweboer die tot de kenners van zijn vak behoorde, weet ik aardig hoe het er in de moderne landbouw toegaat. De hedendaagse tarwe is een plant die oorspronkelijk in de natuur niet als zodanig voorkwam. Er zijn grofweg drie soorten tarwe. De (tweerijïge) eenkoorn stamt direct van wilde grassen af. De (vierrijïge) emmertarwe is zo’n 15.000 jaar geleden ontstaan door een spontane kruising (hybridisatie) van eenkoorn met een andere grassoort. Beide tarwesoorten werden zo’n vijfduizend jaar later door de eerste landbouwers in het Midden Oosten gezaaid en geoogst. Uit de emmertarwe ontwikkelde zich de harde tarwe (durum- of macaronitarwe), die relatief veel eiwit bevat en vanouds in het Midden Oosten en rond de Middelandse Zee wordt verbouwd. Nauw verwant hieraan is de khorasantarwe, die tegenwoordig door Amerikaanse boeren onder de merknaam kamut® op de markt wordt gebracht. Door volgende kruisingen ontstonden de zesrijïge tarwesoorten, die meer gluten bevatten en zich daardoor beter voor het broodbakken lenen – waarschijnlijk eerst spelt, daarna de gewone tarwe. De oudste tarwe die voldoende gluten bevatte om brood te bakken, is gevonden in Griekenland en dateert van ongeveer 1350 v.Chr.

In de loop der eeuwen ontstonden duizenden regionale varianten en werden de aren en de korrels steeds zwaarder, zonder dat men hier bewust naar streefde. Dat veranderde rond 1870, toen boeren door bewuste selectie van zaaizaad nieuwe, productievere graanrassen ontwikkelden. De genetische diversiteit binnen de gezaaide gewassen nam daardoor af, maar doordat partijen zaaizaad over de hele wereld werd versleept, nam de diversiteit aan beschikbare variëteiten op den duur weer toe. De opbrengsten stegen met sprongen: in Nederland van 2500 tot 3000 kg per ha in 1920, 3500 tot 4000 kg in 1950 tot 8 à 9000 kg rond de eeuwwisseling. Daarvoor waren vooral de moderne landbouwtechnieken verantwoordelijk: mechanische grondbewerking, gebruik van natuurlijke meststoffen, kunstmest, herbiciden, pesticiden, fungiciden en groeiremmers. De tarwe zelf veranderde niet wezenlijk. Dit verhaal geldt in principe voor alle tarwesoorten, ook voor spelt en voor de macaronitarwe die in Zuid-Europa wordt geteeld. Bij spelt zijn de opbrengsten beduidend lager (6-7000 kg), maar de prijs is navenant hoger. Het gewas neemt bovendien genoegen met armere bodems.

Boeren en zaadfirma’s bleven bezig de opbrengsten te verbeteren, zonder dat er sprake was van enige vorm van genetische manipulatie, zoals William Davis ten onrechte in zijn boek Wheat Belly beweert (zie de stevige kritiek van de voedingsdeskundige Julie Jones; en hier nog een andere recensie). Ook in de VS is het nog steeds niet toegestaan GMO-tarwe te verhandelen, al groeit de politieke druk om dit wel te doen. Recentelijk was er nog een rel in Montana vanwege ontsnapte planten uit proefvelden.

Wat wel is veranderd, is ons dieet. Tarwe was in Nederland en België (afgezien van het Zuidwesten en de grote steden) een luxeproduct. Tot omstreeks 1950 aten de mensen voornamelijk aardappelen, gegaard roggebrood, havermout en boekweit. De bekende volkskundige J.J. Voskuil (van Het Bureau) heeft daarover ooit een prachtig artikel geschreven. Dat het dieet van de Wheat belly lijkt te werken, is volgens mij vooral een gevolg van de reductie in calorieën die hiermee gepaard gaat. We hebben het gewoon te goed.

En wat ook is veranderd, is de toegenomen macht van de grote voedselconcerns. Mintiens duidt daarop als hij probeert uit te leggen waarom moderne tarwe minder gezond zou zijn dan de tarwe die een halve eeuw geleden werd gegeten.

Ik ga het probleem van de tarwe heel sterk vereenvoudigd uitleggen: vroeger zaaide de boer zijn tarwe en hield bij de volgende oogst pakweg 5% aan de kant als zaaigoed voor het volgende jaar. In de loop van de eeuwen werden door kruising en selectie “betere” variëteiten bekomen. Zaaigoedfabrikanten vinden het niet zo leuk dat boeren op die manier zelfbedruipend zijn en verkopen liefst zoveel mogelijk zaaigoed, elk jaar opnieuw. Als je twee “soorten” met mekaar kruist, neem bijvoorbeeld een paard en een ezel , dan zijn de “nakomelingen” onvruchtbaar (een muildier of een muilezel). Als je Tarwe dus kruist met een grassoort, krijg je hetzelfde resultaat: onvruchtbare korenaren.

Inderdaad is het probleem bij de ontwikkeling van nieuwe tarwerassen dat de plant zelfbestuivend is, zodat je heel moeilijk systematisch stuifmeel van de ene variëteit naar de bloeiende planten van een andere variëteit kunt overbrengen. Daarom was zaadselectie vroeger een moeizaam proces. Om die reden hebben de grote concerns hybridisatiestoffen uitgevonden, waardoor de vrouwelijke plant tijdelijk geen stuifmeel produceert. Je kunt dan een hele partij zaaizaad in één keer bestuiven, zonder jarenlange selectie. De firma Hybrinova (in 1998 opgekocht door DuPont) ontwikkelde hiervoor in 1993 het middel Croisor®, dat vooral in Europa wordt gebruikt; Monsanto ontwikkelde het middel Genesis.

Maar in de volgende generatie wordt de bestuiving weer gewoon aan de natuur overgelaten. Er is dus geen sprake van onvruchtbare korenaren! En de belangrijkste genetische eigenschappen van de tarwe blijven onveranderd, want de kruising vindt plaats binnen dezelfde ondersoort. De schrijver zit er op dit punt volledig naast.

Wat evenmin klopt, is Mintiens’ bewering dat dit hybride zaad op grote schaal in ons tarwebrood zou worden verwerkt. Hybride tarwesoorten worden tot dusverre vrijwel alleen in Frankrijk geteeld. Daar komt inderdaad een groot deel van ons broodgraan vandaan. Maar het ging in 2012 om 210.000 ha, niet meer dan zo’n 4 procent van de tarwe die in Frankrijk werd geproduceerd. Buiten Frankrijk ging het nog eens om 40.000 ha. Daarmee valt de belangrijkste onderbouwing voor zijn stellingen weg.

Een belangrijk probleem is overigens wel dat deze nieuwe eigenschappen worden geclaimd door de grote fabrikanten en dat de boeren voortaan het zaadgoed verplicht via hen moeten kopen. Niet het hele pakket trouwens, want kunstmest en bestrijdingsmiddelen komen (voor een groot deel) van andere leveranciers. Het patentrecht is in de meeste landen van de EU nog vrij gematigd. Maar de graangiganten proberen hun rechten steeds verder naar Amerikaans model ten kosten van de boeren uit te bouwen. Daarover vindt een felle juridische en politieke strijd plaats, ook in Nederland, onder andere in de Beleidsadviescommissie Landbouwzaaizaden van het Productschap Akkerbouw. Over dit octrooirecht publiceerden juristen van de Wageningen University in 2009 een boeiend rapport, dat ik iedereen kan aanbevelen: Veredelde zaken – De toekomst van de plantenveredeling in het licht van de ontwikkelingen in het octrooirecht en het kwekersrecht.

Blijft de vraag waarom mensen die overgevoelig zijn voor tarwe vaak wel speltbrood kunnen verdragen. En dat terwijl het om verwante soorten gaat, die beide uit de grootschalige akkerbouw komen. Er zijn aanwijzingen dat dit wel degelijk te maken kan hebben met het type gluteneiwitten in de spelt. Ook de gluten in eenkoorn schijnen bij deze mensen minder agressief te werken. Tarwegluten bevatten – zo ontdekte hoogleraar Detlev Schuppan uit Mainz – agressieve eiwitten, die op mensen die daarvoor gevoelig zijn als een pesticide werken. Die tarweallergie is bovendien niets nieuws – ook vroeger kwam dit al voor in de vorm van bakkersastma. En waarschijnlijk namen veel mensen genoegen met een dagelijke dosis buikpijn zonder dat ze wisten waar dat van kwam.

Koemelk

Hoe zit het dan met onze overgevoeligheid voor melkeiwitten? Die zou volgens Mintiens door ‘generaties lang gebruik’ van gepasteuriseerde melk inmiddels zijn ‘ingebouwd in onze erfelijkheid, want kinderen die nog nooit koemelk aten of dronken blijken er ook intolerant voor te zijn’. Helaas, dat lijkt mij medisch vrijwel onmogelijk. Het gros van de Nederlanders (en Belgen) drinkt eerst sinds een of twee generaties gepasteuriseerde melk. Gewoonlijk duurt het zeker vijf tot tien generaties – met de daarbij behorende sterftepatronen – voordat genetische eigenschappen zich in de bevolking doorzetten. Ook hier lijkt de redenering niet te kloppen, zonder dat het probleem – als dat al in die mate bestaat – afdoende verklaard is.

Naturalistische dwaling

Wat resteert, is vooral Mintiens’ diepste overtuiging dat onbewerkte producten gezonder zijn dan bewerkte producten. Ieder technologisch proces, of het nu zaadselectie of pasteurisatie is, zou ons verder afbrengen van de natuur. Het is een voorbeeld van een redenering die filosofen de naturalistische dwaling noemen – de gedachte dat iets per definitie beter zou zijn als het dichter bij de natuur staat.

Historisch gezien is deze geconstrueerde tegenstelling tussen mens en natuur het product van de negentiende-eeuwse Romantiek. De eigenwijze mens bestempelt de buitenwereld als natuur en definieert zijn eigen beheptheden als cultuur – daarbij voorbijgaand aan het feit dat hij zelf deel uitmaakt van die ‘natuur’ en dat de waarneming daarvan alleen door zijn eigen ogen kan plaatsvinden. Er bestaat geen natuur buiten de mens, en er bestaat al helemaal geen onaangetaste menselijke natuur die gemakkelijk ontdaan kan worden van het vernis der beschaving. Wij zijn allemaal cyborgs – mengvormen van lichamen en techniek, zoals de feministische filosofe Donna Harraway treffend heeft opgemerkt. ‘Terug naar de natuur’ is een mythe die ontkent hoezeer ons hele leven is ingebed in de hybride mengvormen die het moderne bestaan kenmerken. Mengvormen die ons in toenemende mate afhankelijk maken van elkaar en van de rap slinkende draagkracht van onze planeet.

Mythen en fabels helpen soms om iets duidelijk te maken. Ze kunnen ook veel maskeren. Voor mij persoonlijk is de belangrijkste reden om weinig zuivelproducten te gebruiken vooral een kwestie van sociale verantwoordelijkheid – het enorme beslag dat veeteelt doet op de natuurlijke reserves van onze planeet. Quinoa koop ik uit principe niet – de vraag van de rijke westerlingen heeft dit basisvoedsel in de landen van herkomst onbetaalbaar gemaakt. En het is waar: bij de teelt van spelt worden minder meststoffen, fungiciden en pesticiden gebruikt dan bij tarwe. Ook dat is mooi meegenomen. Maar ja, die volkorenboterhammen smaken me nog steeds uitstekend…

Geplaatst in Filosofie / Philosophie / Philosophy, Gezondheid, New Age | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

‘Niet om geld en macht, maar om waarden’

Botsende waarden? (overgenomen van http://www.pakistani.im)

‘Het nieuwe gevecht tussen oost en west gaat niet om geld of macht, maar om waarden’, stellen de initiatiefnemers van het nieuwe discussieplatform Jalta.nl in De Volkskrant van 18 september 2014.

Inderdaad. Op het eerste gezicht heel wat zinniger dan het geëmmer van Wouter Bos in dezelfde krant, die stelt dat ‘hun’ nog niet zo ver zijn als ‘wij’. Of de verzuchting van Frans Timmermans dat de halve wereld boos op ‘ons’ is, omdat onze vrije manier van leven zoveel meer te bieden zou hebben dan de hunne. Hoewel het natuurlijk óók gaat om geld en macht, om grondstoffen en voedsel.

De beide initiatiefnemers hebben intussen een flinke reputatie opgebouwd. De evangelische liberaal Joshua Livestro is de oprichter van het conservatieve blog De Dagelijkse Standaard, waar de strijdbijl dagelijks naakt op tafel ligt. En GeenStijl-publiciste Annabel Nanninga, die volgens eigen zeggen ‘geen boodschap aan gekwetsten’ heeft, hoeft ook niet over haar negatieve karma te klagen. Hier wordt ik geloof ik niet vrolijker en al helemaal niet wijzer van.

Toch nog maar eens de H.J. Schoo-rede van Frans Timmermans nagelezen. Niet altijd met instemming, soms met grote vraagtekens, maar wel met plezier. Een doordachte visie van een bevlogen politicus die de mensen centraal blijft stellen.

En Timmermans heeft gelijk: het gaat om een manier van leven, misschien niet altijd op de manier zoals hij het schetst – het begint immers altijd met inkeer en innerlijke vrijheid. Maar de compassie staat daarin centraal en de waarden die wij lichtvaardig ‘Europees’ noemen (democratie, mensenrechten, geloofsvrijheid en individuele verantwoordelijkheid), weerspiegelen de leerweg die de hele mensheid met vallen en opstaan doorloopt. Of we het nu hebben over de vijf zuilen en de tien geboden of over – wat dichter bij mij staat – de zes deugden en het achtvoudige pad.

Het gaat om een manier van leven, ingebed in diepere waarden die niet zomaar pasklaar uit de hemel komen vallen, maar die wij in verdiept contact met onszelf, met de ander en met elkaar tot ontwikkeling brengen. Iedere stem wil gehoord worden, ieder lichaam telt, ieder ziel weegt even zwaar – en de sleutel tot deze inzichten ligt in ons diepere zelf. Zo vertaal ik deze diepere waarden maar even. En als je dat realiseert, weet je ook dat gemakzuchtige kritiek op de ‘Westerse’ waarden uiteindelijk de grondslag van ieder vreedzaam samenleven, van menselijke waardigheid en innerlijke keuzevrijheid aantast.

In de nieuwe Koude Oorlog komen zulke diepere waarden gemakkelijk onder druk te staan. Het eigen gelijk gaat zwaarder tellen. De snel gekwetste ego’s vinden dankbaar onderdak in pasklare ideologieën en retorische arena’s, waarin de eigen stem alleen nog op de versterkte echo van gelijkgezinden stuit. Werkelijke belangen – conflicten om grondstoffen, voedsel, geld en macht – verhullen zich in botsende wereldbeelden, die al te gretig door partijdige veelschrijvers omarmd worden. De ellende zit ‘m niet alleen bij de Lievestro’s en hun rechtse vrienden. Ook in de ‘alternatieve’ media is men vaak zo verblind door zelfhaat en afkeer van de ‘Westerse’ waarden, dat het autoritaire wereldbeeld van de tegenstander klakkeloos wordt overgenomen – zonder diens eigenbelang daarbij nog duidelijk te kunnen zien. En dat alles is zorgelijk. Om Timmermans te citeren:

‘In de grote schatkamer van menselijke kennis – het internet – raakt goede journalistiek vermengd met slechte propaganda’.

Daar kunnen Livestro en Nanninga wat mij betreft nog een puntje aan zuigen.

Geplaatst in Boeddhisme / Buddhism, Politiek / Politik / Politics | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen